Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VOORTZETTERS DER KLASSIEKE LEER.

101

klemtoonen veroorzaakt op te merken; en te bepalen wanneer dezelve eenen korten lettergreep lang kunnen maken, en wanneer zulks niet behoort te geschieden" (blz. 165). Voor de praktijk meent hij klasse 1—7 als korte, kl. 8—10 als middensoortige, kl. 11 —17 als lange, kl. 18—22 als zeer lange en kl. 23—27 als dubbellange lettergrepen te mogen beschouwen.

Dit is de taalkundige metrische grondslag van de tijdbepaling eener woordenreeks; hoezeer deze metrische waarden ook voor het gehoor gewijzigd en aangevuld worden door de „rythmische maatkunde", hoezeer het rythmus, de klemtonen, ook in strijd moge zijn met het metrum, toch moet dit metrum, en juist dit, aan de eischen van het metrische versschema beantwoorden; daarin is de ware overeenkomst tusschen woordenreeks en schema gelegen (vgl. ook beneden, blz. 108 en 147 vlg.). Zoo dus berust ook voor Kinker het vers ten slotte op een afwisseling van lange en korte lettergrepen.

W. Bilderdijk. — In later jaren wijdde Bilderdijk twee uitvoerige verhandelingen aan de verstechniek: „Van Toon en Maat" (Nieuwe Taal- en Dichtkundige Verscheidenheden I, Rotterdam 1824, blz. 67—110) en „Van de Versificatie" (N. Taal- en Dichtk. Versch. II, Rotterdam, '24, blz. 89—180). Zijn hier meer uitgewerkte beschouwingen sluiten in het algemeen aan bij de reeds eerder aangehaalde, juist een kwart eeuw vroeger neergeschreven inzichten in zijn Voorrede bij de Mengelpoezij *). Tegenover de navolging der klassieke versvormen, in 't bijzonder der hexameters, stond hij reeds toen critisch: „doch vooral verbeelde zich niemand dat hij het te weeg brenge door den ouden Schot in Klopstocks mismaakte Hexameters en aangenomen Oosterschen bastardstijl (met welken de Duitschers thands zoo in de weer zijn) te laten spreeken, waarin hij een zeer onkenbaar figuur maakt" (blz. XI). Dit schijnt wel zeer bepaald op Van de Kasteele's toen betrekkelijk nieuwe Ossian-vertahng te doelen. Zijn later oordeel is even afwijzend: „Wat nu eindelijk de zoogenoemde Hexameters en Penta-

*) Hij gaf later nog eens een beknopte samenvatting van den inhoud der twee verhandelingen in zijn Nederlandsche Spraakleer, 's Gravenh. 1826, blz. 379 vlgg. „Prosodie"; naar aanleiding hiervan deed Kinker een breedvoerige kritiek op B.'s opvattingen verschijnen in zijn „Beoordeeling van Mr. W. Bilderdijks Nederl. Spraakleer". Amsterd. 1829, blz. 245 vlgg.

Sluiten