Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

106 DE VERSBOUWTHEORIEËN IN NEDERLAND.

De „kunstmatige regeling der sprake wordt ten volledigste

bereikt door de versmaet (Rhythmus) In de spraek bestaet

de Rhythmus in eene evenmatige verhouding der spraek-elementen (silben) naer derzelver uitweiding in den tyd (tydduer) en naer den graed van derzelver toon, waerdoor het zinlike gedeelte der sprake geregeld, en hare welluidendheid verhoogd wordt .... De aenwending van den Rhythmus op de tael vooronderstelt noodwendiger wyze eene tydverhouding der silben naer lengte of kortheid, welke men quantiteit of tydmaet noemt .... De Rhythmus vordert niet alleen eene regelmatige afwisseling van lange en korte silben, maer ook eene verscheidene betooning (lythmische accent), waerdoor dezelve, zoo als de silben eens

woords door den silbentoon, onderling verbonden zyn Deze

rhytmische accent stemt in onze tael meestal met den gewoonen silbentoon overeen." Aldus (blz. 3 vlg.) Dautzenberg-Heyse; Van Duyse zegt het (blz. 111) op zijn eigen wijze: „de syllabenmaat of prosodische syllabenwaarde richt zich in onze taal niet naar de lengte of kortheid (uitrekking of scherping) der vokalen, maar uitsluitend naar de beteekeniswaarde der syllaben." Dit schijnt anders en diepzinniger, maar komt inderdaad op hetzelfde neer. Het accent vormt in onze taal de lengte; want de „beteekeniswaarde" duidt ten slotte ook niets anders aan, dan de klemtoonlettergreep, die immers, zooals sinds Lambert ten Kate bekend was, het „zakelijke deel" van het woord uitmaakt1).

In de „grondregels" zijn beide schrijvers dan ook volkomen eenstemmig: „1 Alle geklemde süben zyn lang, als oirlange, 2 Alle toonlooze süben zyn kort, als oirkorte süben; 3 De neventoonige süben zyn gedeeltelik noodwendig lang, gedeeltelik middentydig". Daarna wordt nader opgesomd welke lettergrepen dus lang en welke kort zijn; de „twyfelachtige süben en woorden" ontvangen „in de versmaet door hunne plaetsing tusschen lange en korte süben (sübenpositie) hunne bepaling, nu als bastaerdkorte, dan als bastaerdlange" (Dautzenberg blz. 7—9). Lengte positione op de klassieke wijze bhjft geheel buiten beschouwing.

Zoo belandt dus de Nederlandsche metrische dichtkunde met deze Zuidnederlandsche richting, in theorie en praktijk, geheel

») Ook Van Alphen had dit in soortgelijk verband in herinnering gebracht vgl. boven, blz. 82.

Sluiten