Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VOORTZETTERS DER KLASSIEKE LEER.

107

bewust in het spoor der Hoogduitsche voorgangers. En hiermee sluit zij, als het ware over de hoefden van Bilderdijk en Kinker heen, weer nader aan bij Van Alphen en den kring vanBellamy. Zij vooral hadden Duitsche voorbeelden nagevolgd en Duitsche theorie bestudeerd. Naast Riedel vindt men in dien tijd Sulzer en Ramler vaak aangehaald; in het bijzonder voor den hexameter Klopstock, wiens opvattingen door Meerman in zijn inleidende beschouwingen voor verscheiden deelen van den Messias werden verdedigd vj, en later ook Voss (Zeitmessung der deutschen Sprache 1802). Ons overzicht deed zien dat de opeenvolgende schrijvers over prosodie, Hesselink en Kinker bovenal, het echter met de Duitsche opvatting, die eenvoudig de quantiteit bepaalde volgens den klemtoon zonder meer, niet eens waren. Zij hielden die voor te grof en te weinig overeenkomstig met de klassieke zuivere metriek. Wilde men metrische verzen sdirijven dan ook volgens het metrum en niet volgens den klemtoon! De oorzaak tot deze veeleischendheid zal voornamelijk geweest zijn, dat hetgeen de Nederlandsche dichters op de Duitsche manier voortbrachten weinig bevredigde; en zoo meende men wederom de poëzie te kunnen verbeteren door juister theorie. Van Alphen, Van de Kasteele, Meerman hadden zich de moeite bespaard quantiteit en accent als verechillende factoren uiteen te houden;

*) In zijn uitvoerige Narede ('s-Gravenhage 1815) vatte Meerman deze theoretische uitweidingen nog eens samen, vgl. vooral blz. 56—80; hij blijft nier bij zijn vroegere bewering „dat de Hoog- en Nederduitsche Hexameter volstrekt den TrochaBUS in plaats van den Spondaeus, ook midden in het Vers, vordert" (blz. 63), weerlegt Hesselink (blz. 66 vlgg.), en bestrijdt Kinker (blz. 77 vlgg.), die voor onze taal een metriek als de Latijnsche wilde scheppen en liever de pogingen zou staken „wanneer wij er niet beter dan de Duitschers (Voss alleenlijk uitgezonderd) in kunnen slaagen" (blz. 78; vgl. Kinker blz. 232 — 235 en elders). Meerman beschouwt „de stipte navolging der Latijnsche regelen van lang en kort als volstrekt onaanneemelijk" en „den regel van den klemtoon als den eenigen ... die, even gelijk in den Alexandryn, voor onze taal berekend is"; de klemtoon geeft aan de lettergreep „de quantiteit eener lange", positie in klassieken zin maakt niet lang, „doch het kiezen der Syllaben, waarin de minsten [consonanten] voorkomen, is buiten twijffel evenwel eene taak, die den Dichter opgelegd blijft" (blz. 79, 80).

Ook de oudere vertaler der Messiade, C Groeneveld (1784, 2e dr. 1791) gaf in zijn voorrede rekenschap van de wijze, waarop hij de regels van Klopstock gevolgd had, ■die „zelf de moeite heeft gelieven te nemen, om de vertaalde gezangen te overzien" De verzen van Groeneveld zijn niet zeer gelukkig, hoewel „ook de Heer Hiëron. van Alphen [hem] met zijne aanmerkingen [had] gelieven te vereeren" en staan zeker achter bij de hexameters van P. L. van de Kasteele's Ossian. Groeneveld kende zelf de klassieken niet en had den hexameter uit den Messias geleerd; vgl. den brief van Klopstock over hem aan Meerman (1784), meegedeeld door E. F. Kossmann, Holland und Deutschland (1901) blz. 37 v.

Sluiten