Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

108

DE VERSBOUWTHEORIEËN IN NEDERLAND.

daarin, vond men de fout, daarin zocht men de verbetering. En Kinker ging hierin het verst, door de zuivere duurwaarde, die hij zoo juist mogelijk had bepaald, als den eigenlijken maatstaf voor metrische verzen te willen aanleggen. Men kon er terwüle van de welluidendheid naar streven, sommige hoofdklemtonen met de „lange" van het metrum te doen samenvallen; een dergelijk compromis hadden de Romeinen ook moeten sluiten, toen zij de Grieksche maatkunde overnamen, die allerminst op hun taal zonder meer toepasselijk was; maar nooit mocht men het metrum afhankelijk maken van den rythmus. Hiermee bracht hij zelf zijn zoo juiste opmerking over het voortdurend dualisme dezer twee factoren tot overdrijving (vgl. Kinker, blz. 292 vlgg.).

Dit dan was het „valsche stelsel", waartegen de Belgische voormannen thans te velde trokken, om zich opnieuw te bepalen tot de „eenvoudige lengte", die de uitspraak, d.w.z. de klemtoon, aan de hand deed. Zij werkten dit systeem inderdaad tot een tamelijke volkomenheid uit, en het ligt zeer zeker wederom niet aan de theorie, als de op deze wijze gebouwde dichtstukken van Dautzenberg en Van Duyse in Noord-Nederland slechts matigen bijval vonden. Ook de Vlaamsche en Middelnederlandsche taalvormen, die zij bezigden, zij neen bezwaar, daar zij voor onze ooren vaak meer een Hoogduitschen dan een Hollandschen klank hebben en zoodoende den indruk van het vreemde versterken. Intusschen mag men niet vergeten dat Jan van Beers, die trouwens op dit laatste punt voorzichtig was, met zijn hexameters wel degelijk een zekere populariteit ook in het Noorden verworven heeft. Men dient vooral in het oog te houden, dat men voor een juiste beoordeeling het verschil van langen en korten duur bij het lezen werkelijk moet laten hooren; daardoor wordt de cadens van de verzen inderdaad een andere, als wanneer men alleen naar de klemtonen scandeert, die daarmee weliswaar overeenkomen. Van Duyse noemt nog eens mtdrukkehjk de lange lettergrepen tweetijdig, de korte eentijdig, de „wankende" dan ook middentijdig (t.a.p. 112). Dit is natuurlijk niet in algemeenen zin juist, maar wel, zooals wij reeds vroeger opmerkten, mogelijk, in zooverre een bepaalde kunsttraditie de rekking van zekere sillaben tot de dubbele lengte zeer wel als vaste gewoonte bij het declameeren kan aannemen en volhouden. Uit den aard der zaak is deze opmerking voornamelijk van belang voor de lyrische vor-

Sluiten