Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VOORTZETTERS DER KLASSIEKE LEER.

111

sieke dichtwijze is ook volgens hem in onze taal „leefbaar —mits éene voorwaarde: dat wij haar geheel en al op de accentuatie bouwen, omdat daarop alleen ons natuurlijk spreken gebouwd is" .... (blz. LXXXII). Daartegen hebben zich naar zijn inzicht ook Dautzenberg, Van Duyse en Van Beers nog vergrepen, door onvoldoende rekening te houden met de „neventonen".

Vertaalde hexameters in Noord-Nederland.

O. Vosmaer. — Naast deze „beweging" in Vlaanderen was intusschen de enkeling C. Vosmaer in het Noorden opgetreden Hij zocht niet nieuwe wegen of een verfijnder toepassing voor de Nederlandsche versvorming; het was hem zeer in het bijzonder

*) Slechts terloops hoeft hier melding gemaakt te worden van twee zijner voorgangers: Mr. G. Dom Seiffen, wiens eerste proeven van lyrische metrische vertaling vroeger Strick van Linschoten tot voorbeeld en opwekking waren geweest (vgl. diens Voorbericht voor zijn tien Oden van Horatius) en die op hoogen leeftijd nog zijn „Ilias van Homerus, in de oorspr. versmaat vertaald" uitgaf (Utrecht 1855) en Mr. S. J. E. Rau, die Virgilius Heldendicht de Enéis „naar eigen critische beschouwing in Nederduitsche metrische versmaat" overbracht (Haarlem 1862—'63). Dorn seiffen hield zich aan de gebruikelijke Duitsche „vrijheden" in den hexameter „daar de Nederduitsche taal voor die versmaat der Ouden niet zeer geschikt is", hij stelde zich tevreden met, evenals Stolberg en Voss „trocheussen i.pl. v. spondeussen" te bezigen; woorden van één lettergreep neemt hij lang of kort naar behoefte „maar ik moest ook, om dactylussen te krijgen, woorden van twee lettergrepen, soms als beide kort gebruiken, van pronomina, adiectiva en adverbia, als er een lange lettergreep vooraf ging" (Voorrede).

Rau geeft iets breedvoeriger rekenschap van zijn opvatting' „geen menschelijke spraak is eigenlijk denkbaar zonder quantiteit" en ook in het Nederlandsch, al is het daar anders dan in het Grieksch en Latijn, zal men kunnen opmerken „dat de eene lettergreep meer in de uitspraak gerekt wordt dan de andere; hetzij door het langer uithouden des stemklanks, hetzij door de meer samengestelde werking der spraakdeelen die den klank tot een lettergreep vormen: — en dit is quantiteit." Hij merkt voorts op, dat de „strenge muzykale verhouding", die tusschen lange en korte (2:1) bij de ouden bestaat, bij hen „hare onwrikbare vastheid aan het gezag der groote dichters, die de taal in dien zin beoefend en op de muzyk toegepast hebben", verschuldigd is; de Latijnen heeft dat moeite genoeg gekost, „uit haren aart" zijn de lettergrepen bij hen evenmin als bij ons „alle volstrekt (muzykaal) even lang en even kort onderling" (Voorrede blz.X vlg.). De hexameter behoort tot de metrische vormen, die men in het Nederlandsch kan toepassen — al heeft hij „in onze taal eigenaardige zwarigheden" — en wel zonder „de vrijheden die men in Hoog- en Nederduitsch in de behandc ling dezer versmaat aangenomen heeft, en die haar doen ontaarden, toe te laten" (ald. blz. XII). Een beknopte theorie van zijn hexameter laat hij volgen onder de Bijvoegsels tot de Aanteekeningen (deel II blz. 332—341); hij sluit hier in hoofdzaak aan bij Van Duyse, beschouwt het „zakelijke deel" van een woord als van nature lang, eischt echte spondeeën van twee werkelijk lange lettergrepen en verklaart dat „alle de als lang beschouwde taalklanken" (hetzij ze dit zijn „wegens den aart des wortelklanks" of door den nadruk, er „door den aart der taal of de bedoeling des sprekers" op gelegd, of door de vertraging, voortgekomen uit het volgen van verscheiden medeklinkers, dus „positione") — ondersteld worden „zooveel in maat te gelden als twee korte" (blz. 333).

Sluiten