Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

112 DE VERSBOUWTHEORIEËN IN NEDERLAND.

om één ding te doen. En wel om een passend kleed voorden Nederlandschen Homeros, waarin het hem mogehjk zou zijn alle bewegingen, die hij in het Grieksche voorbeeld vond, ongedwongen te volgen. Over de wijze waarop hij den hexameter opvatte en de geschiktheid van het Nederlandsch daarvoor, geeft hij uitvoerig rekenschap in zijn artikel „Homeros in Nederland" (De Banier III, Haarlem 1877 blz. 1; zonder groote wijzigingen herdrukt achter zijn Ilias 1880).

Ook Vosmaer wendt zich van Kinker af en tracht zelfs niet in theorie accent en quantiteit naast elkaar te onderscheiden. „Onze hexameter moet dus geheel gebouwd worden volgens het accent; de klemtoon vormt lengte"; de groote waarde van dit stelsel ligt daarin, dat in onze talen „begrip en toon altijd samenvallen, de toon valt op den hoofdinhoud, op den wortel van het woord" (blz. 42). De accenten waarnaar zijn verzen luisteren, zijn inderdaad ook de hoofdklemtonen der woorden, soms slechts gewijzigd door bijzonderen emphatischen nadruk. Van Oye vindt hier evenzeer de „neventonen" verwaarloosd. „In het geraamte van het vers (niet in de moduleerende uitspraak) bestaan slechts twee maten, lang of kort. Men moet zich hier wachten voor verwarrende vergelijking met de muziek, die er zoo velen bezit. Alle syllaben zijn of volstrekt lang, of volstrekt kort, of wankend nu eens het een dan het ander" (blz. 44 vlg.). Het oude geschil over de toelaatbaarheid van „trocheën" in plaats van „spondeën" laat hem in den grond onverschillig (blz. 48, vlg. ook blz. 33). „Maar niet in spitsvondigheden over lengte en kortheid, quantiteit of accent ligt de hoofdzaak. Deze ligt in het karakter van het rythme, in den bouw van het vers; waar zijne ronding, golving, spanning is, waar zijn gewrichten, zijn spieren zitten; of het goed loopt, ghjdt, springt, vleit of stormt" (blz. 49).

Vosmaer streefde naar een vorm die het krachtige ongepolijste van een oud heldenvolk tot uiting bracht; hij verwierp de versmelting van slot-e met volgenden beginHinker, waaraan het Nederlandsch oor zich sinds twee en een halve eeuw gewend had. Zijn hexameters zijn hard; zij moeten volgens den klemtoon der spreektaal forsch gelezen worden, tegen de hoofdklemtoonen moet alles in het niet vallen; voor een eenigszins „melodieuze" declamatie zijn zij ongeschikt. Hun verscheidenheid en „rythrnisch karakter" ontvangen zij door de wijze waarop de klem-

Sluiten