Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

TWEEDE HOOFDSTUK.

ZOEKERS NAAR EIGEN MAATSTAVEN.

Men stelle zich niet te veel voor van het verschil tusschen de theorieën, die thans behandeld zullen worden en degene, die in het eerste hoofdstuk ter sprake kwamen. Dit tweede hoofdstuk stelt niet louter oorspronkelijke beschouwingen tegenover geheel onoorspronkelijke, nog minder het juiste inzicht tegenover het verkeerde. De voornaamste eigen beschouwing die wij nog ontmoeten zullen, die van Huydecoper, is in menig opzicht juist ook op klassieke grondslagen gebouwd; een man als Kinker evenwel, hoezeer ook de klassieke regels in eere houdend, zocht echter zeker naar een eigen meening. Het eerste hoofdstuk beschreef den ontwikkelingsgang in het algemeen en toonde, hoe de theorie in hoofdzaak steeds van de klassieke normen uitging en daartoe terugkeerde; men bleef zich steeds bezig houden met de quantiteit der lettergrepen en men geloofde daaraan. In dit hoofdstuk zullen wij meer in het bijzonder onder het oog zien, hoe zij die er dieper over nadachten, zich de overeenkomst tusschen het klassieke en het Nederlandsche voorstelden, hoe zij dus dit geloof staande hielden. En tevens hoe enkelen die overeenkomst loochenden en zich van de klassieke voorstelling geheel afwendden.

In zijn belangrijke studie Deutscher und antiker Vers *) heeft A. Heusler getracht de Hoogduitsche theoretici in drie groepen teverdeelen, naar gelang zij (1) öf werkelijk geloofden aan een vast verschil in duur tusschen lange en korte lettergrepen en alleen daaraan, öf (2) meenden dat in de jongere Germaansche taal ook de klemtoon vooral een criterium van lengte vormt, dat dus klemtoon en lengte steeds moeten samengaan of dat klemtoon zonder meer lang maakt, öf dat zij (3) klemtoon of geen klemtoon voor

>) Strassburg 1917, Quellen u. Forsch. 123 Heft, vgl. de aankondiging in het Museum XXVIII no. 10, blz. 222..

Sluiten