Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ZOEKERS NAAR EIGEN MAATSTAVEN.

117

Cantus non potest subsistere, si syllabarum non constet quanti-

tas Uno enim ore omnes fatentur, negligihoc tempore veram

& naturalem quantitatem, sed hunc defectum commode suppleri censent accentuum observatione" (p. 29).

Reeds in de oudste Nederlandsche beschouwingen vindt men dan ook in de keuze der termen eenigszins rekening gehouden met dit verschil, zooals uit de aarjhalingen in het le hoofdstuk blijkt. Van Hout, die toch 12 lettergrepen beschouwde als 6 voeten, zwijgt over lang en kort; hij spreekt slechts van het „juyste gewicht" dat op elke syllabe komen moet. De Twespraack stelt naast kort en lang „hóógh ende laegh"; Marnix spreekt van de „accentus"; Van Mander omschrijft slepende rijmen als verzen die „den clanck op een nae lest hebben", verderop spreekt hij van „hardt oft langh" tegenover „cort"; Van Gherwen (1624) heeft het over zachte en harde lettergrepen; Camphuysen spreekt van de „klem"; Hooft van den „bijclanck"; Van Heule (1626) weer noemt de „lange" lettergrepen naar hun „klank" hart (vgl. boven blz. 58). Anderen echter, zooals Jacob Duym en R. Visscher, gebruiken zonder meer de termen lang en kort. Intusschen bleef het bij hen allen als het ware een zaak van terminologie; zij voelden dat men nog iets in aanmerking moest nemen bij de navolging, dat met lang en kort niet alles of niet het juiste gezegd was, maar gaven zich daarvan voor het overige geen rekenschap.

Van der Mijl. — De oudste duidelijke uitspraak hierover staat te lezen in Abr. v. d. Mijl's Lingua Belgica (Lugd. Bat. 1612), een werk dat min of meer onder de auspiciën van den Leidschen kring verscheen, ingeleid met lofdichten van Heinsius en Scriverius. Daniël Heinsius werd zeker niet voor niets door Holland, en op het voorbeeld van Opitz ook door Duitschland, als de stichter der neoklassieke letterkunde geëerd *). Hij is in dezen en den komenden tijd het werkehjk middelpunt tusschen Amsterdam, Den Haag en Zeeland. Van der Mijl toont aan, dat de Nederlandsche verskunst strenger en fijner eischen stelt dan de klassieke; „accentum enim non curant Graeci Latinique eo loco, ubi syllaba longa requiritur; sat habent, si ad leges alias quantitatem suam servent: at incon-

') Ik wijs hier op het levenswaard artikel van A. Jolles, Der Humanismus u. d. Niederl. Dichtung d. XVII Jhts. in Neue Jahrbücher f. d. klass. Altertum u.s.w. 1920, s. 214.

Sluiten