Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ZOEKERS NAAR EIGEN MAATSTAVEN.

119

het sop van de Leidsche Heynstebron moest worden ingegoten.

P. C. Hooft. — Korten tijd tevoren toch (1614 of '15) schreef Hooft in zijn „Groet" aan den lezer, voor een ontworpen uitgave van Granida en Warenar1), dat hij in „de maet der doorgaende regelen" [d. w. z. lange verzen van 12—14 lettergrepen] „d'Italiaenen ende Franchoijsen" had nagevolgd, „dewelcke de lanckheit der silben naer den bijclanck nemen". Met het woord bijklank geeithij eenetymologisch-letterhjke vertaling van accentus (ad-cantus). Hooft volgde dus, naar zijn zeggen, in de klemtoonplaatsing zijner verzen de Romaansche dichters, zooals hij die las of had hooren lezen. Gelijk bekend is, meende hij echter bij hen niet alleen de regelmatige afwisseling van - en - (zooals hij ze bleef aanduiden) te hooren, maar daarnaast ook een drietal andere plaatsingen, die hem geschikt leken voor navolging. Zoo stelde hij voor een halfvers naast de „gemeene maet" — — — — — — ,

de „veranderingen" (1) — — — — — — (2)— — — — — —

en (3) — — ■» — — —, dus omzetting van den len, 2en of 1 en en 2en voet; „wat buiten dese maeten is luydt quaelyck". Het aantal van drie lange en drie korte voor elke zes lettergrepen was dus constant (afgezien natuurlijk van de uitgangen bij vrouwelijk rijm, die nu eenmaal niet meetellen), en de totale duur van elk halfvers, als men het toch eens zuiver metrisch opvatte, bleef steeds gelijk.

Het is niet onwaarschijnlijk, althans niet.onmogehjk, dat .Hooft hoewel zelf de klemtonen beluisterend, daarbij toch aan een werkehjk verschil in tijdsduur dacht; hij zou zeker niet de eenige geweest zijn, bij wien deze voorstellingen dooreen hepen; men hield dan den klemtoon voor een teeken van lengte, men „nam de lanckheit naer den bijclanck". Inderdaad is het immers ook niet volkomen onjuist dat de klemtoon met een zekere mtbreiding van duur gepaard pleegt te gaan, al is de verhouding van 1 : 2 voor gesproken taal een theorema zonder realiteit.

Evenals Van Heule tusschen den len en 2en druk van zijn spraakkunst, paste ook Hooft zich later aan. Zoo trachtte hij dan ook zijn Granida in een steeds herhaald — — — — — — te

persen, eer hij haar in 1636 opnieuw deed verschijnen2). Wat

») Vgl. Tijdschr. v. Ned. Taal- en Lett. 36 (1917), blz. 98, 132. *) Zie Tijdschr. 36, 134 vlgg. (daarbij ook boven blz. 25 vlg. noot).

Sluiten