Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

120 DE VERSBOUWTHEORIEËN IN NEDERLAND.

Hooft betreft zijn wij eenigszins ingelicht over den tijd en de wijze waarop hij „mores" leerde, door zijn merkwaardige gedachteny wisseling met Huygens over dit punt uit de jaren 1623 en '241). Huygens valt met vuur de 3 „veranderingen" aan, die hem voor onze dichtkunst verwerpelijk en ook niet in overeensteinming met de praktijk der Romanen lijken. Die laatsten doen nog wel erger dingen, maar volgens hem zijn zij daarmee ook juist op een dwaalspoor. Wij behooren hen te verbeteren en ons in alexandrijnen aan — — en niets dan — — te houden, in het algeméén aan wat hij de „eenparige voetmaat" noemt, d. i. versmaat waarin nooit verschillende soorten van voeten ondereen gemengd zijn. Hooft verdedigt zich wel „met vhjt ende rijpheit van overleg", maar wil tenslotte toch „niet staende houden 't geen [hij] de voorneemste rijmers sie[t] verstooten" en acht eigenlijk ,,'t zop de kool niet waerdt". Bij deze laatste opmerking mag men niet vergeten, dat zijn dichterlij k vernuft en zijn kunstenaarszucht in dien tijd (1624) minder op verzen dan wel op zijn proza- en historiestijl waren gericht.

y C. Huygens. — Wat Huygens betreft, deze bleef levenslang van de juistheid zijner stelling overtuigd, en beperkte die zelfs niet tot het Nederlandsch of de Germaansche talen. Reeds in zijn Otia van 1625 had hij zijn eischen van strenger voethouding ook op het Fransch toegepast (vgl. boven blz. 52 vlg.); in 1663 schrijft hij zijn bekenden brief aan Corneüle2). „J'oppose donc a eest abus une autre maxime, que je tiens indisputable et generale pour la poesie de toutes les langues modernes, et dis, que tous leurs vers rimez consistent en pieds ou yambiques ou trochaiques — qui ne sont au plus que de six pieds — et que ces pieds doibvent

• estre formez suivant les tons ou accens naturels de leurs syllabes, qui est la seule marqué de leur quantité." Hier verklaart Huygens dus ook nadrukkelijk dat wij (d. w. z. alle moderne talen) „de

*) Hoofts Brieven, ed. v. Vloten I, 432 vlgg.; in uittreksel weergegeven door De Voqys, Taal en Lett. XVI, 184 vlg. en Tijdschr. 36, noot op blz. 133 en 139; vgl. ook J. v. d. Eist in Neophilologus II, 1 vlgg.

*) Lettres du Seigneur de Zuylichem a Pierre Corneüle publ. p. J. A. Worp. ParisGroningue 1890 p. 12, 20; Briefwisseling van Const. Huygens ui tg. d. Worp V (Rijks Gesohiedk. Public. 28) 's Gravenh. 1916, no. 6093, blz. 558, 562; vgl. ook A. G. van Hamel in zijn Letterk. Leven van Frankrijk IV blz. 1 vlgg. en in Zeitschr. f. franz. Sprache u. Litteratur XII (1890) 191 vlgg. en A. G. v. Hamel [junior] ZeventiendeEeuwsche opvattingen en theorieën over Litteratuur in Nederland, 's Gravenhage 1918, blz. 185.

Sluiten