Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ZOEKERS NAAR EIGEN MAATSTAVEN.

121

lanckheit van de silben naer den bijclanck nemen", zelfs meer dan dat: de klemtoon is de eenige aanwijzing. Toch bedient ook hij zich dan verder van de teekens — en — , als hij voor Corneille een aantal van diens eigen verzen gaat ontleden. Evenals vroeger tegen Hooft, voert hij ook thans den eisch van een gelijkblijvend rythme voor de muzikale compositie aan:... „comme tout poete chante, toute poesie debvroit estre bien chantable. J'advouë que vos syllabes comptées le sont; mais si le musicien altere vostre mouvement, comme il est necessaire qu'il fasse, pour suivre 1'accent des syllabes, dont il n'est possible qu'il se departe, ce ne seront plus la vos vers... sans ceste observation la musique appropriée au premier couplet d'une chanson ne s'ajustera jamais, que par grand hazard, au second, etc." Corneüle zal wel, zoo min als Hooft vroeger, hebben ingezien waarom aüe verzen van een treurspel nu juist ook op een en dezelfde wijs zangbaar moeten zijn. Nu moet men niet zeggen, vervolgt Huygens, dat dit te moeilijk is in de praktijk; bij ons is het zoo algemeen „que le plus petit rimailteur seroit sifflé, s'ü ne 1'avoit observée dans la dernière rigieur; et c'est par oü j'ose vous (lire, quelque basse opinion que vous puissiez avoir de la langue des Pais bas, que nostre poesie ne se trouve mülement des moins polies et coulantes du monde lettré." Zoo beweerde Huygens dus in 1663 dat diezelfde scherpte in het toepassen der juiste afwisseling van de lettergrepen, die hij veertig jaar vroeger reeds voorstond, toen inderdaad algemeen en in de uiterste perfectie werd in acht genomen. Wij zullen nog verscheiden getuigen uit dezelfde eeuw hooren, die daarvan volstrekt niet zoo overtuigd waren.

Abr. v. Gherwen. — In 1624 verscheen Abraham van Gherwen's „Voor-loperken, inhoudende Een Kort Onderricht der Letterkunst. Dat is: 't Wel-speüen des Neder-Duytschen Taais"... enz. Behalve aan zijn spelling besteedt hij ook ettelijke bladzijden aan een soort handleiding voor dichters, in het bijzonder voor hen die stichtehjke liederen wülen maken. Het zorgen voor goede rythmische overeenkomst met de zangwijs, is dan ook zijn eerste les. Naast de praktijk schijnt de Twespraack zijn leermeesteres te zijn geweest, waarheen hij den lezer ook voor breeder onderricht verwijst (pag. L). Hij onderscheidt de prosodische waarde der lettergrepen als hard en zacht, en eischt dat die in het vers afwisselend

Sluiten