Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

122 DE VERSBOUWTHEORIEËN IN NEDERLAND.

voorkomen; alleen met dit voorbehoud, dat in plaats van een zachte ook wel eens een harde gebruikt mag worden, blijkbaar om aan de betrekkelijke schaarschte van zachten in het Nederlandsch tegemoet te komen. Dit herinnert wederom aan de Twespraack en het daar aangehaalde voorbeeld der Hebreën, die met dezelfde moeilijkheid te kampen zouden hebben.

U silben Zacht en Hard

van Silb tót Silb met Maten Maar als ghy hard beghind

stelt weer één zachte dan Veel harde magh bestaan

dóch beter waart ghelaten Zet ghéén twé zachte t' zaam

maar wacht u wel daar van.

Al uwe silben teld

van d' éérst tót lesten Reghel Op dat ghy niet te veel

nóch waeynigh silben zet Van Vaers tót Vaerzen al

dit is één vasten Zeghel En wijst de rechte Maat

zó ghy daer wel op let.

(pag. Ll-fol. 52).

In een bhjbaar oudere redactie in sonnetvorm van dezen dichterskatechismus had Van Gherwen geschreven: „Zet ghéén twé zachte t'zaam... Twé harde magh bestaan, maar beter waart na bleven" (fol. 51, gedateerd 1622), waarbij hij er niet aan gedacht schijnt te hebben dat twé harde juist nooit kan bestaan, daar de volgende derde dan toch wederom hard dient te zijn *). Verder is hij voor afwisseling van „staand'en vallend'Rym", waarschuwt voor „rediten" (rijmen van tweemaal hetzelfde woord) en verwerpt alle enjambement: „Laat eiken Reghel zelfs volkomen Zin uytrichten. Niet léénd. nóch erft. maar elk zyn eyghen zin besluyt" (pag. LI); dit laatste doet denken aan Van Mander.

D. R. Camphuysen. — In hetzelfde jaar 1624 verschenen voor het eerst D. R. Camphuysen's Stichtehjke Rijmen, die in hun

*) Boven (blz. 59) is reeds een soortgelijke opmerking van v. Heule (1626) aangehaald, die het echter klassieker uitdrukt door van een spondeus in de plaats van een iambe te spreken.

Sluiten