Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

124 DE VERSBOUWTHEORIEËN IN NEDERLAND.

Wie nu bij het dichten een lied-wijs in het oor had, kon zich vrijelijk laten drij ven op de melodie met haar hoofdklemtonen, en desnoods enkele evenzware syllaben naast elkaar dulden, zooals Van Gherwen; Hooft's oor verzette er zich niet tegen, als zijn vers in het geheel wat losser over dit schema heenliep en ook de maten eens eenigszins anders verdeelde. Een scherp en wiskunstig denkend man als Huygens, die op andere wijze ernstig aan muziek deed, wil zijn gedrongen puntigheden door de scherpte van den nooit vervaagden of missenden klemtoon in den mathematisch bepaalden maatgang toegespitst hebben. Wanneer men zou meenen in de briefwisseling van Hooft en Huygens, het standpunt van den laatste met zijn grooter „muzikaliteit" in verband te mogen brengen, maakt men misbruik van de onbepaaldheid van den term muzikaal. Men zou in Huygens en Hooft het verschil van een meer orchestrale en een meer vocale, een polyphone en monophone, d. w. z. een modern beschaafde en een meer populaire muzikaliteit kunnen onderscheiden. Tegenover Huygens' beroep op het gemak van den zanger, te weten den geschoolden vocalist, die wiskunstig maat hield bij zijn rol in het instrumentale geheel, stelt Hooft de nuchtere opmerking over de „hujslujden", die wel een verscliülend aantal lettergrepen op dezelfde noten kunnen zingen. Hooft begrijpt niet wat die zangers met „Heldenlof, Treurspel of Brieven" te maken hebben; voor Huygens, die in de wiskunstig-gehjkmatige kunst-muziek leeft, zijn die hoerenliedjes „kraaien"-gezang

J. w-Vondel. — De „Aenleidinge ter Nederduitsche Dichtkunste" (1650) is al te lakoniek over den versbouw: „daeromsla ick voor dezen tijt de voeten en maet der vaerzen en den ommetreck en aert van allerhande rijmen en dichten over". Het eenige dat hierbij nog in aanmerking komt, is de bekende zinsnede: „het vaers schijne oock geen rijmelooze rede, maer trecke den aert van een vaers aen, en sta wacker op zijne voeten. Heeft het geen zenuwen, zoo hangt het slap en vadzigh: is het te gedrongen, zoo staet het stijf, gehjck een lantsknecht in zijn harnas." Dat wij Vondel in 1654 (Berecht over de spelling achter Lucifer) over lettergrepen hooren spreken, „daer de Hanck lang valt" (vgl. boven

») Tijdschr. v. Ned. Taal- en Lett. 36 (1917) 139.

Sluiten