Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ZOEKERS NAAR EIGEN MAATSTAVEN.

125

blz. 62) beduidt weinig, daar in het verband volkomen confusie van lengte en klemtoon blijkt. Maar wanneer wij naar Vondel's eigen verzen luisteren of de verbeteringen gadeslaan, die hij in de herdrukken van verschillende zijner gedichten aanbracht, dan bhjkt dat een heldere regelmatige afwisseling van duidelijk beklemtoonde en onbeklemde lettergrepen voor hem niet de eenige of de meest belangrijke grondslag van versbouw geweest kan zijn. Vaak heeft hij die regelmaat onderbroken; zelden leidden zijn verbeteringen er toe een dergehjke vrijheid te doen verdwijnen. Die afwijkingen van den geregelden tiktak juist bij hem, hebben later vele pennen in beweging gebracht, om dan door Van Alphen, Kinker en wie hun volgden als bijzondere schoonheden te worden begrepen. Men leze elk willekeurig stuk van Vondel, men beschouwe de varianten, verzameld door Kalff *) en Walch2), overal zal hetzelfde bhjken: Vondels verzen steunen niet op de kracht der klemtoon-lettergrepen, zij staan niet scherp gespannen van het eene stutpaaltje op het andere, zij hangen er ook niet „vadzig" bij neer, maar zij golven als uit eigen kracht vrij en wisselend daarboven, elk met zijn eigen lijn èn spanning. Niet de regelmatigheid, maar de volheid van den klank en haar toe- en afnemen moeten in Vondél's oor het vers hebben bepaald. Zijn geluid is vleezig en rond als de toets van Rubens.

Of Vondel zich duidelijk bewust is geweest, dat hij in dit opzicht anders was en anders wilde dan de meeste van zijn tijdgenooten, en hoe hij dit verschil voor zich en zijn volgelingen in zijn ouderdom misschien onder woorden heeft gebracht, weten wij niet. Zeker zal hij minder streng over het Fransche vers geoordeeld hebben dan vroeger Huygens, voor wien slechts stipte „eenparigheid" of „verkeerde" accenten bestonden. Waarschijnlijk ook zal hij gevoeld hebben, dat de afscheiding van de versvoeten als gelijke deelen niet al te klassiek en al te scherp moet worden vastgehouden, maar dat er een rijkdom van schakeeringen ligt in de gewichtsverhoudingen van een geheel vers. Dat toch is de richting, waarin hij het Nederlandsche vers ontwikkeld heeft,

*) G. Kalff, Vondeliana, Vondels zelfcritiek, Tijdschr. v. N. T. e. L. XV, 108.

*) J. L. Walch, De varianten van Vondel"! Palamedes. (Proefschr. Leiden) 's Gravenhage 1906, wiens opschriften reeds aanwijzingen bevatten: 2e hoofdst. „Streven naar meerdere welluidendheid"... 3e hoofst. „Streven om de verzen voller te maken". Wat deed Hooft bij de „verbetering" van zijn Granida?!

Sluiten