Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

126 DE VERSBOUWTHEORIEËN IN NEDERLAND.

waarin hij de Nederlandsche taal voor een klank- en toon-kunst heeft toebereid, als zij sinds hem steeds in haar dichtkunst is bhjven bezitten.

Nil Vol. Ard. — Wat wij bij Vondel onderstellen, vinden wij nu inderdaad terug juist bij die jongeren, uit zijn ouderdom, die in de laatste jaren van zijn leven een ware nieuwe Nederduitsche academie stichtten in het genootschap Nil Volentibus Arduum. Daar bhjkt een beschouwing te bestaan, die werkehjk poogt van een nieuwen grondslag uit te gaan, het begin der „tonen"-theorie, die later door Huydecoper tot een stelsel zou worden uitgewerkt.

In 1728 verscheen bij de wed. Gerart onder de Linden te Amsterdam, een boekje getiteld „Verhandelingen Van der Letteren Affinitas of Verwantschap: Van het Gebruik der Accentus of Toonen in de Nederduitsche Vaerzen: En van de Metaplasmus of Woordvervorming... opgesteld door... Nil Volentibus Arduum" .... Volgens de Voorrede werden deze verhandelingen „over de vyftig jaaren geleden opgestelt" door W. Blaauw, A. Pels, L. Meyer en anderen, en hadden zij drie hoofdstukken moeten vormen in de onvoltooid gebleven Spraakkunst, door N. V. A. in dien tijd ontworpen; de overblijfselen van dien arbeid waren den uitgever in handen gekomen uit de nalatenschap van David van Hoogstraten (f 1724) en hij haastte zich voorloopig althans deze fragmenten in het licht te geven. De tweede dier verhandelingen nu „Van het gebruik der Accentus" enz. (blz. 18—32) is voor ons onderwerp van groot belang, daar hier een enkele maal meer in het bijzonder wordt stilgestaan bij wat thans heette de „trant" van het vers. „Gelyk in alle andere Taaien, zo is ook in onze Néderduitsche, het waarneemen dér Accentus of Toonen in de uitspraake der woorden van groot belange: Want zy verschaffen, gelyk als eene zang en muzyk, in de Spraak".... „Uit eene zékere €chikkinge dezer Accentus of Toonen, ontstaat de trant in de Néederduitsche Vaerzen, en niet uit de langte en korte der SyUabce óf Lettergreepen, gelyk zommige meenen. En dat wel zodaanig, dat zy buiten het rym, alle hunne heffelykheid en zoetvloeij endheid hier van daan haaien".... Die „trant" bhjkt nog verschillend te kunnen zijn. Er wordt voorloopig onderscheiden tusschen een „gewoone" en „ongewoone"; de tweede wordt verder buiten beschouwing gelaten, daar de schrijver meent te dezer plaatse

Sluiten