Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

128 DE VERSBOUWTHEORIEËN IN NEDERLAND.

van een scherpe bekleeden (blz. 26—29): 1° „achter eene andere zwaare Toon, daar eene scherpe voor gegaan is", b.v. 't Haüig/e», Tandems (Hooft); 2° „als een zwaare na een Middeltoon komt daar een scherpe voorgaat", b.v. Het hémélsche gerécht (Vondel); 3° „als 'er twee... zwaare toonen voor eene... schérpe komen ... kan de eerste zwaare de plaats van een scherpe bekleeden" b.v. En met de zegekrans my héerlyk oegenadigt (Vondel). Voorts kan een middeltoon overal in de plaats van een zware gesteld worden, als zij een scherpe naast zich heeft, en ook in de plaats van een scherpe in de 2e lettergreep (of 2e na de caesuur), als zich de eerstgenoemde afwijking voordoet, nml. scherp begin in iambische voetmaat; overigens kan een middeltoon iedere andere vervangen, wat ook zeer veelvuldig voorkomt. Deze laatste is „de zaftste" van alle toelaatbare afwijkingen „alzo [dè middeltoonen] tusschen beiden in zynde, van de eene nóch de andere zo ver niet verscheden, als die wel onder eikanderen doen." Dan volgt het gebruik van zware in plaats van scherpe; „en de hardste van allen is, wanneer een scherpe voor een zwaare gebruikt wordt" (blz. 30 vlg.). Tenslotte wordt nog iets over de „Accentus Circumflexus óf saamgezette Toon" en diens „gebruik in de vaerzen" gezegd. Deze is „tweederley", nml. „óf voorkomende uit eene... scherpe en... zwaare; of uit eene... middeltoon en zwaare", waarvan nader verklaard wordt „dat de eerste evenaleens gebruikt wordt, als of het eene scherpe en de laatste als óf het eene middeltoon waare" (blz. 31). Waarschijnlijk doelt dit op diphthongen; voorde versen accent-kunde geeft het in elk geval niets nieuws.

Eén ding vooral hebben deze heeren van Nil dus zeer scherp te kennen gegeven: dat de versgang in het Nederlandsch niet bepaald wordt door de lengte of kortheid der lettergrepen. De eigenschap, waarvan hun geschiktheid tot een bepaalde plaats in het vers afhangt, is volgens hen, het bezit van een scherpen of zwaren toon. Met den schat van dit inzicht verschansen zij zich echter onmiddellijk weer achter geleerde termen. Wat zij onder accent verstonden wordt ons allerminst duidelijk door de vergehjking met de Grieksche acutus en gravis; niet de behoefte aan helder begrip maar de neiging tot klassieke waardigheid bewoog hen ook den circumflexus nog te berde te brengen. Intusschen schijnen de woorden scherp en zwaar (hoewel zij slechts een letterlijke vertaling zijn van de termen acutus en gravis!) toch te wijzen op een

Sluiten