Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

132 DE VERSBOUWTHEORIEËN IN NEDERLAND.

verzen als hard gebrandmerkt; „ik zal my wel wachten van zulks te betwisten", antwoordt deze, daar zijns inziens een dichter zelf niet het meest bekwaam is om over de vloeiendheid zijner verzen te oordeelen; hij houdt ze op zijn wijze voor goed, terwijl anderen ze op hun wijze willen lezen en afkeuren. „By voorbeeld, myn Berisper zal mogelyk gewoon zyn, in het leezen altyd in het midden en op het einde der Vaarzen wat te poozen; daar ik in tegendeel gewoon ben de Vaarzen te leezen naar de verdeeling en sluiting van den zin, eveneens of 't geen Vaars maar onrym was. Myn Berisper begeert, dat het einde van den zin, of ten minsten van eene volkome uitdrukking, altyd op het einde van een Vaars kome, gelyk de Franschen nauwkeurig waarneemen: in tegendeel verbeeld ik my, dat in Tooneeltaal, zo wel in Treur als Blyspel, het rym altyd zo weinig gehoord moet worden, als 't mogelyk is." Huydecoper is er van overtuigd dat „de beste Hollandsche Dichters aan [zijn] kant zyn", doch ook de Berisper staat niet geheel alleen: „zo hy de Schryver van de Voorrede, gestelt voor het vertaalde Berispdicht van Boileau, genaamd De Mensch dwaazer als het Dier, zelve niet is, kan hy ten minsten één Nederduitschen Schryver aanhaalen, die met hem van een gevoelen is; want deeze spreekt mede op verscheidene plaatsen van diergelyke Overspringingen". Deze Boileau-vertaling met haar inleiding neemt inderdaad een belangrijke plaats in onder de geschriften van den genoemden strijd om Vondelx); de bewerker stelde zich aan de zijde van zekere Fransch-gezinde critici, die den Nederlandschen Parnas in gevaar gebracht, en „Vondels assche geschonden" hadden. Daartegen hadden Jacob Zeeus met zijn „De Zangberg in Gevaar" (1715) en anderen hun wrevel gelucht; Huydecoper verklaarde thans „rond uit ... dat de wet, die de Heer Boileau in zyne Dichtkonst den Franschen Dichteren voorschryft, op onze ... Rymkonst niet toepasselyk is" .... „Onze rymtrant gaat wel een toontje hooger, en kan niet, als met verhes van zyne natuurelyke fraaiheid, op die zingende en springende leest der Franschen geschoeid worden"; die Fransche leest past onze taal even weinig, als de Grieksche voetmaat, waarmede Conr. Goddaeus het beproefde (blz. 67)! Het verbod van enjambement en de verplichte middencaesuur zijn

*) Vgl. Kossmann t. a. p. blz. 64.

Sluiten