Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ZOEKERS NAAR EIGEN MAATSTAVEN.

133

voornamelijk de punten van Huydecoper's verzet; zij mogen te pas komen bij de Franschen, die hun verzen overigens geheel onregelmatig bouwen „en meestentyds maar vyf, en zeer dikwils maar vier lange lettergreepen in een Vaars van zes voeten hebben." „Als de Latynen in hunne Jambica, twee korte lettergreepen achter een wilden plaatsen, maakten zy het Vaars eene greep langer: de Franschen zullen dat viermaalen in één Vaars doen, en behouden evenwel hun juist getal van twalef en dartien greepen". „De trant van onze vaarzen komt veel nader aan dien der Latynsche Jambica, daar zy hunnen oorsprong ook aan verschuldigd zyn, en willen met een gestadigen en langsaamen dreun uitgesproken worden". Wij houden ons ook aan het vaste getal van 12 en 13 lettergrepen, maar zorgen dan ook, dat er altijd zes „lange" in onze zes voeten zijn (blz. 67, 68). De enjambementen zijn bij de klassieken regel; Vondel ging bij ons voorin het gebruik daarvan; Rotgans, Antonides en andere goede dichters volgden hem daarin, zooals met tal van voorbeelden wordt aangewezen. Wel verre van overeen te stemmen met de heeren van Nil, wier Verhandeling de begrippen lang en kort uit de beschouwing van den trant wilde bannen, houdt Huydecoper zich hier dus wederom geheel aan de verdeeling in gelijke voeten, die elk één lange lettergreep bevatten. Voorts gaat hij uit van een overeenkomst tusschen onzen alexandrijn en den iambischen trimeter der Romeinen, wat haast het belang der klassicistische vergehjking, van beteekenis is voor zijn houding ten opzichte der midden-caesuur. De Verhandeling van Nil verscheen trouwens pas acht jaren na zijn „Corneüle verdedigd", en zoo zij al heeft bijgedragen tot de volmaking van zijn oordeel, zooals hij dit kort daarna in zijn „Proeve" (1730) ontvouwde, zeker is, dat hij zich van den reeds thans gebleken grondslag zijner eigen opvatting niet heeft laten vervreemden.

Huydecoper heeft dus zijn belangrijke theorie over den versvorm, dien wij in het algemeen als alexandrijn plegen aan te duiden, neergelegd in eenige van de „vrymoedige aanmerkingen" zijner „Proeve van Taal- en Dichtkunde", een commentaar op Vondel's vertaling van Ovidius' Metamorphosen (Amsterd. 1730; 2e uitg. met bijvoegsels en aanteekeningen, bewerkt door F. van Lelyveld en voltooid door N. Hinlópen, Leyden 1782—'91). Ook hier zien wij Huydecoper zich in de eerste plaats richten tegen

Sluiten