Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

134

DE VERSBOUWTHEORIEËN IN NEDERLAND.

den eisch van de middenrust in het vers en zijn punt van uitgang kiezen in kritiek op Pels. Deze had in zijn Horatius' Dichtkunst (blz. 7) geleeraard, dat men verzen van zes en van vijfvoeten „voeghjk" kan maken „acht slaande, dat 'er een' verpoozing zy in bey Dat slag van vaerzen .... Die verpoozing wordt geheeten

De Sneê van 't vaers, waar van men dit behoort te weeten; Dat dat van zessen, na de derde voet altijd, En dat van vijven, na de twéde, óf dérde snijt."

Huydecoper's eerste aanmerking geldt de terminologie; het gebruik van snede voor verpoozing is zijns inziens ongewenscht en is slechts een navolging van het minder juiste césure bij nieuwere Franschen voor hetgeen Ronsard en Boileau met repos hadden aangeduid. Onder snede of snijding wil Huydecoper verstaan wat in het Latijn ook caesura, incisum of incisio heet, nml. het verschijnsel, dat het einde van den voet midden in een woord valt of wel het woord doorsnijdt. Hij bespreekt de aesthetische waarde daarvan uitvoerig (blz. 141—152 = 2e uitg. I 322—342 en blz. 615 = III 413 vlg.) en bouwt daarover een theorie op, die wij hier echter terzijde kunnen laten x). Rust of verpoozing dan is de eenige wettige naam voor hetgeen door de Franschen en ook bij ons in het algemeen caesuur genoemd wordt2). Met de bespreking van dit punt, dat hem het naast aan het hart lag, heeft Huydecoper zijn boek besloten; zijn laatste aanmerking was „de plaats, die [hij] van den beginne af geschikt [had], om te onderzoeken hoe ver de Rust in onze zesvoetige vaarzen noodig zy, en watmen voornaemehjk in de zelve aantemerken hebbe" (blz. 610 = III, 404).

Pels had behalve de reeds aangehaalde verzen uit zijn Dichtkunst, daarover nog in de Voorréde tot dat werk aangemerkt : ... „ik schyn myne eigene léssen ... niet overal waar te neemen, wanneer ik in zommige van myne vaerzen

*) In de Byvoegsels teekende Huydecoper nog aan, dat reeds in Verwer's Idea de juiste opvatting van snede te vinden is (blz. 625 = I 397).

*) Tot welke verbijsterende gedachtekronkels deze verwarring van termen al geleid had, kan men lezen in Lud. Smids „Toetsteentje" (Poësy blz. 271); sprekende over de snede, nml. de gewone midden-caesuur, verkondigt hij: „De Latinisten sijn ook van diergelijken Caesura, spouwing, of snede niet misdeeld, maar gebruiken deselve achter ieder voet, en altijd in eenig woord, so deselve meer lettergrepen als een behelsd", anders „walgen sy van sulken veers". Dat was dus wel net iats als bij ons! alleen dat ze achter eiken voet er een „gebruiken" en dan juist altijd midden in een woord!

Sluiten