Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ZOEKERS NAAR EIGEN MAATSTAVEN.

135

na de derde voet geen snycling maak; dóch ik doe zulks nérgens, dan in saamengestélde woorden, maakende de snyding, daar die gekóppeld zyn ... aangezien het dan ganschelyk niet en stuit in het leezen." Hierin ziet Huydecoper, die snijding verbetert door rust, slechts volslagen verwarring: hoe is het mogelijk „dat een Meester als de Heer Pels, die ooren aan 't hoofd hadt, en zelfs de Muzijk wel verstondt, hier echter, om te oordeelen of het verzuim der Ruste in het leezen stuite of niet stuite, raad leeft, niet met zijn verstand, maar met zyne uiterlyke zinnen; en, onder deezen weder, niet met het Oor, maar met het Oog, 't welk inderdaad niet de minste kennis van vaarzen heeft?" Deze kostelijke zin geeft Huydecoper in zijn geheele kracht. Pels had gewerkt met den gewonen term caesuur, zonder daaraan een nader begrensde voorstelling te verbinden; hij had van den regel, dat het eind van den 3en voet met een woord-eind samen moet vallen wel, eens afgeweken, doch dan zorg gedragen, dat die voet-scheiding althans tusschen woorddeelen viel, die zonder elkaar niet ondenkbaar waren. Huydecoper had dien traditioneelen term veroordeeld en voor zich het daarmee overeenkomend begrip als rust gedefinieerd; hij gebruikte zijn ooren en dan zijn verstand; zoo hield hij nu ook werkehjk vast aan dat begrip en eischte dus terecht, dat een rust ook een reëele rust zou zijn. Hoe er nu in één samengesteld woord, al zij het op de plaats waar dat „gekoppeld" is, ruimte kan zijn voor een werkelijke rust, is hem duister. Maar dat iemand eerst beweert de rust na te laten, om vlak daarop te verklaren, dat die rust, die er dan dus niet is, moet vallen op een bepaalde aangewezen plaats aangezien het dan ganschelijk niet stuit, lijkt hem volkomen onzinnig, of zooals hij het uitdrukt „een klaar bewys, dat [Pels] bier slechts de schors heeft aangeraakt, en geenszins tot het pit is doorgedrongen" (blz. 611 = III, 407). Voor hem is het zonder meer de vraag: rust of geen rust; en terecht, als onder rust een inderdaad reëele tijdpooze verstaan wordt. Huydecoper's aanmerking nu omtrent het al of niet „noodig" zijn van de rust, en wat daarbij verder ter sprake komt, is niet te scheiden van wat hij op een vroegere plaats in zijn boek over den trant van het Nederlandsche vers geschreven heeft. Ook daar neemt hij zijn aanvang bij Pels. Wat deze van den „Trant onzer vaarzen" zegt „is inderdaad weinig, en komt alleen hierop uit, dat die bestaan zou in eene geduurige verwisse-

Sluiten