Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ZOEKERS NAAR EIGEN MAATSTAVEN.

137

seu proportionem" (De Poematum Cantu, p. 11). Op grond van die betrekking der tonen nu is in een vers een zekere rythmische groepeering waar te nemen, een afzonderlijk staan of een samenhoorigheid der bijzondere voeten, die door Huydecoper als een indeeling in maten wordt aangemerkt. Als punt van uitgang neemt hij aan „dat onze volmaaktste vaarzen bestaan uit Maaten van vier greepen of toonen", waarin de le en 3e een laagsten, de 2e een hoogeren en de 4e een hoogsten toon krijgen, twee voeten dus die één samenhoorende rythmische stijging bezitten. De klassieke voorstelling, dat de iambe eerst in tweevoud (dipodie) een volledig maatkundig versdeel (ftsrpov) vormt, zal hem zeker tot dit inzicht hebben geholpen. „Maar wanneer de 2 ook zo hoog is als de 4 (dat zulks kan, en dlkwils moet weezen, zal naderhand blyken) dan verdeden wy die eene Maat in twee, ieder van twee greepen." Men meene nu echter niet, dat door deze, alzoo uit 2 of 1 voet bestaande maten ook een zuivere maatstaf voor den eigenlijken tijdsduur gegeven wordt. „Zulk eene Maat van twee greepen maakt, naar myne rekening, twee Derden van eene Maat van vieren: daarom zullen wy haar niet onderscheiden in heele en halve, maar in Grooter en Kleiner Maaien" (blz. 180 = I 404). Met deze verhouding als 2:3 zullen wij ons verder niet ophouden; zij is een benaderingscijfer, berustend niet op theorie of berekening, maar op het gehoor, en wel bij waarneming van die reëele gevallen, waarin de verschillende maten te samen een vers of vershelft vormen. Van belang is echter, dat Huydecoper gehed los bhjkt van de eigenlijk klassieke opvatting, dat de lange lettergreep als zoodanig een vasten duur van twee, en de iambische voet dus van drie korte lettergrepen of drie moren heeft, hoewel hij toch de uitdrukkingen lang en kort als termen bleef gebruiken. Ook bij de schrijfwijze in muzieknoten, die hij voor de tonen bezigt, laat hij het verschil van duur in het midden; voor allen gelijkelijk gebruikt hij de gewone brevis. Normalizeerend neemt hij nu tusschen de laagste (de korte van den voet) en de hoogste (de lange met vollen toon) één middentrap aan (de lange dus die niet den vollen toon draagt) en schrijft deze op de 2e, 4e en 3e lijn van een notenbalk. Hij is zich het generalizeerende van deze schrijfwijze bewust en verklaart uitdrukkehjk niet bedoeld te hebben „om, volgens de nauwkeurighdd van de Muzijk, den juisten klank van ieder woord

Sluiten