Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

142 DE VERSBOUWTHEORIEËN IN NEDERLAND.

onderscheid is namelijk de vrijheid der klassieken, om Spondeën en Dactylen „met eene rijke verandering" onder één te mengen, tegenover de verpachting bij ons, om „door het gantsche Gedicht eenerleie maattrant" te behouden „die net om beurte, dan eene zachte, dan eene harde silb heeft" (blz. 127). De Nederlandsche dichter is dus gebonden aan twee voeten, iambus en choreus, eik van twee lettergrepen, die eenmaal als lang en kort, maar daarnaast ook als hard en zacht worden aangeduid. Driesyllabige voeten vinden ook hier geen genade: „De trippelende tripelvoeten zijn nauwhjks te tellen onder de onzen. Hun gebruik is, mijns bedunkens, als eene afwijking van den aart en eigenschap onzer Vaarzen te houden"; in het gebruik vindt men daarin ook zelden een behoorlijke regelmaat; „voor deftige stoffen zijn ze geheel verwerpelijk, en voor vroohjke gering: doch vloeijende gesteld zijnde, heeft 'er wel een zekere vriendelijkheid plaats in, maar meer ook niet" (blz. 130). Als verkieselijke versvormen worden aangewezen 2V2- tot 6-voetige iamben en choreeën, als minder aanbevelenswaardig ook tot 2-voetige, elk met voorbeelden toegelicht (uit de Psalmen, Camphuysen, Poot, Huygens, Oudaan en J. van Geel, blz. 128—130). Wellekens komt nog afzonderlijk ter sprake, om zijn gebruik van iambische verzen met verschillende lengte (aantal voeten) in één gedicht (blz. 132), een variatie die trouwens later in de achttiende eeuw vrij algemeen gebruikelijk werd. Een dergehjke min of meer volledige opsomming is niet zoo nieuw als de uitgever Van der Hoeven (blz. 119) wil doen voorkomen; iets soortgelijks gaf reeds Séwel (vgl. boven blz. 66) om van De Casteleyn te zwijgen l); en wat kritisch inzicht betreft kan zij zeker niet in de schaduw staan van Huydecoper's studies over den alexandrijn. Toch stelt ook Ten Kate nog iets naast het zuivere metrum van lang-korte of hard-zachte lettergrepen, waartoe de Nederlandsche dichter zich in zijn gebruik beperkt ziet, en daarom vooral is het, dat hij hier in aansluiting bij Huydecoper genoemd dient te worden: „In deeze gebondenheid helpt het veel, dat men de woorden alzo schikke en verlrieze, zo het mooghjk is, dat ze den klemtoon, ('t Accent), naar verëisch der zaaken niet bij beurte doen vallen, maar maatig van eikanderen verspreiden, als bij voorbeeld:

*) Séwel telde zijn voeten alleen anders, omdat hij geen choreï doch alleen iamben erkende.

Sluiten