Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ZOEKERS NAAR EIGEN MAATSTAVEN.

143

vondels Pal. En WAANT de MENschen aan / zijn VROOMheid te verBINden.

in 8vo. pag. 1.

De fraaiheid van deezen regel bestaat voornamelijk daarin dat de helftsneê geen klemtoon heeft, maar juist tusschen de twee krachtigst en inkoomt, en dat het woord te, 't geen volgens den aart der versmaat, mede hard was, door den zin der woorden verzacht wordt, maar hiervan zullen we elders omstandiger verslag doen" (blz. 127 vlg.).

De opmerking is nauw verwant aan die van Huydecoper; het beloofde omstandiger verslag volgt inderdaad in het 4e hoofddeel „Van den klemtoon, en daaronder van de Helftsneê", maar het hier gegeven uitsluitsel bevat niet veel meer dan de reeds aangehaalde passage. „De natuur van den maattrant is dat de klemtoon net om beurte valt, en die der zaaken is dat hij alleen daar valle daar de beweeging van het gemoed, indien het geen vaars ware, den sterksten nadruk opbrengen zou. Dit zal ik vervolgens, om de kortheid, met de naamen van Natuurlijke en Redehjke klemtoon bekleeden" (blz. 138). Hier wordt dus nu het eigenlijke versschema, dat zoo even beschreven werd als bestaande uit voeten van één korte of zachte en één lange of harde lettergreep, met den naam van „natuurlijke" klemtoon getooid en gesteld tegenover het zinsaccent als den „redelijken" klemtoon. Over de verhouding tusschen die twee vernemen wij niet anders dan „dat ieder natuurlijke klemtoon wel eenigen meerderen nadruk dan de zachte silben" behoort te ontvangen „doch egter moeten ze niet alle juist even sterk en krachtig zijn; maar, (gelijk te vooren gezegd is), maatig van elkander verspreid: want zo de redehjke klemtoon net om beurte komt, raaken de vaarzen hunne vriendelijkheid en tederheid kwijt, en krijgen een zekere

dreun" Hierna spreekt Ten Kate over de helftsneê en geeft

daaromtrent den gewonen regel: de viervoet heeft haar na den 2en, de vijfvoet meest na den 2en of ook na den 3en „de zesvoet altijd na den derden voet" (blz. 139). „Natuurlijker wijze [d. w. z. dus: volgens het schema] krijgt de helftsneê altoos den krachtigsten klemtoon, maar redehjker wijze [d. w. z. in de praktijk, bij behoorlijke voordracht] gaat dat gemengd en onverschillig; en men mag het met voordacht wel zo schikken, als 't vlijen wil, dat de sterkste klemtoon, redehjker wijze, nu en dan de helftsneê misloope"... In zulke gevallen kan men de helftsneê „zacht" noemen,

Sluiten