Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

146 DE VERSBOUWTHEORIEËN IN NEDERLAND.

een enkele maal over getwist, en gewoonlijk over gezwegen had, in hoeverre de quantiteiten der klassieke theorie bij ons met lange en korte, of met meer en nünder beklemtoonde lettergrepen overeenkwamen, gaf deze tweevuldigheid van termen thans een ongezochte aanleiding, om hiermee het opgekomen verschil van praktijk te onderscheiden. Men hoefde nu slechts eens voor al uit te maken, dat de tot nog toe gevolgde wijze van versificatie geheel naar de klemtonen luisterde en niets met de quantiteiten uitstaande had, om zich dan in te beelden, dat de nieuwe rijmlooze versvormen het metrische element tot zijn volle recht deden komen. De eerste bewering vindt men werkehjk, b.v. zeer krachtig juist bij Laurens van Santen, den bestrijder van het nieuwe, die de mogelijkheid van zuiver metrische behandeling in het Nederlandsch ontkent; de tweede voelt men bij Van Alphen. Ten gevolge van de grooter geschooldheid van denken en de belangstelling in alle soort van onderzoek, door den geest der verhchting gewekt, vindt men nu echter niet meer zoo vaak halfdoordachte losse opmerkingen, maar volledige, grondige theorieën. Het bewerken van dergelijk opzettelijk ondernomen onderzoek leidde de schrijvers vanzelf tot breeder studie en dieper fundeering van hun stellingen. Zoo vond men dan ook reeds spoedig aanleiding om het nu, naar men meende, duidelijk gestelde verschil van klemtoon (stemdruk) en lengte (lettergehalte) nog verder te exploiteeren, door aan de werking van deze beide elementen in dezelfde verssoort, bepaaldelijk in de oude gebruikelijke, allerlei daarbij voorkomende moeilijkheden en belemmeringen toe te schrijven. Zoo meende Hesselink (om slechts deze twee uitersten hier op te halen) dat in den alexandrijn en dergehjke voetmaten steeds een lange tevens beklemtoonde lettergreep met een korte tevens onbeklemtoonde diende te wisselen, terwijl Kinker er een van de voornaamste uitingen van vers-schoonheid in zag dat klemtoon en lengte, door hem als rythmus en metrum aangeduid, in voortdurend tegenspel en wisselwerking, elkaar tot grooter harmonie zouden aanvullen. Bij den eerste wordt dan ook de vraag omtrent de navolging der Grieksche metra in dien zin beantwoord, dat men zich hiermee inderdaad zonder schade kan vermaken, indien men slechts zorgt dat elke lange steeds, en elke korte nooit een klemtoon draagt; Kinker's opvatting daarentegen het in de rijmlooze „me trische" verzen natuurlijk evenzeer tegenstrevende accenten toe,

Sluiten