Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

150 DE VERSBOUWTHEORIEËN IN NEDERLAND.

Bijna nog merkwaardiger is de soortgelijke beschrijving in muzieknoten van een geheele prosa-periode in zijn verhandeling „Over de hoorbare voordracht van den redenaar" (1813; gedrukt in Gedenkschriften i. d. Hedend. Talen v. d. 3e kl. v. h. K. Ned. Instituut, 2e dl. Amst. 1820, blz. 113 vlgg., zie vooral blz. 132). Het meest opmerkelijke van deze maatschema's is wel, dat hier een zoo onverdacht aanhanger der metrische leer zich vrij maakt van den dwang der vermeende duurverhou<lingen tusschen de lettergrepen onderling; hij durft een iambe voorstellen door of door met verlenging dus van de 1 eten koste der 2e, waardoor echter in geen geval 2 : l.maar wel de gelijkblijvende lengte van hun som verkregen wordt. Door de schrijfwijze van een geheel vers in één muziekmaat zijn tevens de moeilijkheid van de voetgrenzen en de hachelijke verplichte klemtonen ondervangen. Hier is inderdaad de eerste grondslag gelegd voor de juiste aanvatting onzer nieuwe verzen, en tevens voor de moderne beschouwing der klassieke verskunde, die later door mannen als Westphal en Gevaert krachtig ter hand zou worden genomen. Op dezen grondslag voortwerken, zou geweest zijn: de Nederlandsche theorie van den klassieken leiband bevrijden, waaraan zij voorzeker eerst geleerd heeft op eigen voeten te staan, maar dien zij als een kluister is blijven voortsleepen, en waarvan niemand bij machte bleek haar tijdig te ontdoen.

De latere XlXe eeuw.

Zooals bekend is, heeft de 19e eeuw in de algemeene opvatting weinig verandering gebracht. Nog de onlangs verschenen Prosodie van BaÜhazar Verhagen (Amsterd. 1918), samengesteld „ten dienste van het voordrachtsonderwijs" door den huidigen directeur der Tooneelschool, weet de „structuur van het vers" niet anders te ontleden, dan door uit te gaan van versvoeten, waarin accent en quantiteit hun oude rol trouw naast elkander vervullen, in beginsel overeenkomend met Kinker.

In het kort vermelden wij slechts: B. H. Lulofs (Over Nederl. Spraakkunst, Stijl en Letterkennis enz. Groningen 1823), die

Sluiten