Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

152

DE VERSBOUWTHEORIEËN IN NEDERLAND.

ook door en voor vreemdelingen gebruikt diende te worden „om de noodwendigheden des levens" kenbaar te maken, moest „alle behagelijkheid, alle sierlijkheid" verhezen „en het spreken werd verlaagd tot een bloot beduiden". Daardoor kwam men er als vanzelf toe de hoofdzaken van het woord nog een bijzonder duidelijk duwtje te geven, zoodat „de overheersching van het accent" in de uitspraak meer en meer veld won (blz. 58 vlg.).

Intusschen was de nieuwe philologische wetenschap ontwaakt die, door de studie van het Middelnederlandsch genoopt, begon zich van de middeleeuwen af met den versbouw bezig te houden. De eerste samenvattende schets was van de hand van Jonckbloet (1849). Wat door hem en anderen (zie beneden blz. 218 vlgg.) over dit onderwerp is aangedragen, en wat de wetenschappelijke kritiek verder ook over de latere tijdvakken onzer verskunde in het hcht heeft gesteld, valt buiten het kader van dit hoofdstuk.

T. Roorda. — Eén zeer oorspronkelijk en in zijn soort geheel eenig werk dient hier echter nog genoemd, een poging tot dat algemeen theoretisch inzicht, dat wij uit de samenwerking van Bilderdijk en Kinker hadden willen zien voortkomen: T. Roorda, Over Dichtmaat, Versmaat en Versbouw, inzonderheid in de Hollandsche, Duitsche, Fransche, Grieksche en Romeinsche, Arabische en Oud-Indische Poëzie ('s Gravenhage 1863). De schrijver zocht zijn eenheidsmaatstaf in een algemeene, aan de muziek ontleende en in muziekteekens genoteerde maatleer. Hij zou misschien tot duidelijke normen gekomen zijn, indien hij getracht had volgens zijn methode heldere schema's, muzikaal-rythmische versgeraamten vast te stellen. Door een al te groote voortvarendheid, die hem te ver voerde in de eigenlijke yoordrachtswijze van een bepaald afzonderlijk vers, is hij echter verdronken in de veelheid der verschijnselen. Dit en daarnaast vooral een minder gelukkige schrijfwijze, vol puntjes en rusten, voor die verschillen, die duidelijker als triolen in een tweeslags- of als duolen in een drieslagsmaat zouden zijn aangegeven—maken zijn boek veeleer tot een aaneenschakeling van puzzle's, dan tot een verhelderend betoog. Dat hierdoor zeker slechts zeer weinigen1) de beteekenis van

') De eenige althans' dien ik vond is W. P. Wolters, die „Naar aanleiding van Potgieter's Florence" een merkwaardige studie over de ontwikkeling en de theorie van den Nederlandschen versbouw schreef (Vaderl. Letteroefeningen CXIV, 1874, le deel blz. 275).

Sluiten