Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

INLEIDENDE OPMERKINGEN.

Wat is de rythmische grondslag van het Nederlandsche vers? Wie alles wat van de 16e tot de 19e eeuw door Nederlanders over den versbouw geschreven werd, met kritiek doorloopen heeft, zal tot deze vraag telkens terugkeeren, in het besef dat hij daarop geen antwoord heeft gekregen. Eigenlijk werd die vraag ook nooit zuiver zoo gesteld; evenmin trouwens door de oudere Duitsche of Engelsche theoretici. De Franschen alleen zouden aanspraak kunnen maken op de eer, een theorie te bezitten, die althans reeds vanouds op het eigen algemeen Nieuw-romaansche taal- en versgebruik gegrond was; deze theorie echter bestaat slechts uit een paar eenvoudige en uiterlijke regels; het eigenhjk rythmische in het vers wordt daarin niet aangeroerd.

De humanistische schoolwijsheid, die naar analogie der Latijnsche, de Nederlandsche grammatica vaststelde, heeft den versbouw onder het hoofdstuk prosodia in haar bemoeiingen betrokken. Onze spraakkunst worstelt reeds sinds geruimen tijd krachtig tegen deze Latijnsche curateele en is inderdaad op weg haar rechtspersoonhjkheid geheel te herwinnen — al kan zij daarom het vele goede dat haar curator haar heeft ingeprent dankbaar blijven erkennen. De verstheorie heeft als het ware in lijdelijk verzet haar voogdij tot heden toe gedragen; menigeen heeft moeten voelen, dat de verhouding niet altijd even hartelijk was; voor haar mondigheid is echter nog zelden iemand opgekomen.

Toen men in de 16e eeuw de vraag stelde, wat een vers is, vond men dat dit bestaat uit voeten, welke gevormd worden door lange en korte lettergrepen. De vraag of hiermee inderdaad een algemeene definitie gegeven was, die ook voor ons vers zonder meer gelden mocht, viel geheel buiten de beschouwing der toenmalige wetenschap. Dit was het antwoord, dat het orakel der beschaving gaf; hiermee had men te werken; daartegenover stond slechts de onvolkomenheid der inheemsche praktijk, die op geen

Sluiten