Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

158

NEDERLANDSCH VERSRYTHME.

gezag aanspraak kon maken. Soorten van voeten stonden in ruime keuze ter beschikking, en wat de lettergrepen betrof: „dat de lange twee tijden en de korte één tijd duurt weet ieder kind", aldus leerde Qumtilianus. Als dit dus bij ons ook zoo moest zijn (en dat sprak immers van zelf), deden onze rederijkers het bepaald heel verkeerd en diende er een krachtige hervorming plaats te hebben. De Franschen schenen ons reeds een goed eind vooruit te zijn; bij hen had niet het eene vers 9 het volgende 14 syllaben. En waarlijk aan het eind en vaak ook in het midden van een vers, bleken zij ook al voor „lange" lettergrepen zorg te dragen; immers daar vond men een duidelijke accentplaats in het rijm en vóór de middenrust. Als het hier te lande zoover maar eenmaal was, dan zou men het met de voeten en de quantiteiten ook verder wel klaren; zoolang er nog verzen gemaakt werden, waarin men zelfs niet van een bepaalde gelijkblijvende lengte kon uitgaan, was daar geen beginnen aan. Natuurlijk volgde men de Franschen niet na alleen om de theorie dan te kunnen toepassen, maar men zal goed doen de Romaansch-gerichte praktijk en de klassiek-georienteerde theorie in een innig verband te blijven zien. De naar Fransche voorbeelden uitziende praktijk werkte reeds, vanuit de zuidelijke, in de rederijkerkamers van het noorden door; en des te sterker nog na de verplaatsing van een belangrijke groep der krachtigste geesten uit het zuiden naar de vrijverklaarde provinciën. Wat ginds De Heere en Van der Noot reeds beproefd hadden, werd in de kringen van den Nederduitschen Helicon, van het Wit Lavendel; zwakker ook bij de Orange-Lely, voortgezet en vond toenemende navolging onder de Hollandsche rederijkers. Daarnaast echter staat reeds vroeg de Leidsch-klassicistische richting, onmiskenbaar in Van Hout, die den alexandrijn opvat als een schema van zes voeten en elke syllabe daarin tot haar juist gewicht wil laten komen. Op Van Mander persoonhjk miste deze haar invloed niet: hij meende dat men „galhscher wyse op Alexandrijnsche mate" wel iets goeds tot stand kon brengen, al was dat niet gemakkelijk; „en bevinde oock seer goet en wel luydende" (en dit is iets anders, een stap verder!) „datmen zijn tweede syllabe altyts hardt oft langh nemen en d' eerste cort", zooals eerst door J. v. Hout in gebruik is gekomen, die dat trouwens, volgens hem, in Petrarca, Ronsard e.a. zou hebben waargenomen. In de theoretische beschouwingen der Twe-spraack en bij Jacob Duym

Sluiten