Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

160

NEDERLANDSCH VERSRYTHME.

kundige eigenschap van de lettergreep, dan of men dit meer als een noodzakelijke bijzonderheid in de versvoordracht, dus als een prosodisch postulaat, beschouwde, valt in vele gevallen niet uit te maken. Menigeen zal aan die dubbele tijdswaarde getwijfeld hebben, sommigen ontkenden haar voor onze taal, zooals . v. d. Mijl en de schrijvers der Verhandeling over de Accentus in de jaren van Nil Vol. Ard. Zoo goed als allen echter brachten, bewust of onbewust, een anderen maatstaf mee in het geding. Bij Van Hout reeds is sprake van het juist gewicht der syllaben. Hooft drukt het zoo uit, dat de nieuwe talen de lengte naar den „bijklank" (= accentus) nemen. Dat wil dus vrij wel zeggen: / gehjkstelling van lengte met accent. In hoeverre er reden bestond en bestaat duur en nadruk te verwarren of gelijk te stellen, zal nog ter sprake komen; tevens zal daarbij ook blijken in welke mate de toonhoogte, die in Huydecoper's accent-opvatting een zoo overwegende rol speelt, aan deze beide vermaagschapt is. Latere theoretici hebben de quantiteit en het accent wederom zorgvuldig gescheiden; zij trachtten de eerste uit het lettergehalte der geschreven woorden af te lezen, de tweede in de gesproken taal te beluisteren, en wilden hen in samen- of tegenwerking den harmonischen versgang laten veroorzaken. Zoo kwam men van het een op het ander, doordat er nimmer een bevredigende oplossing gevonden was; maar bij dat al ontkwam men nooit aan den ban der klassieke prosodie en bleef zich vergapen aan de taalkundige waarden van losse lettergrepen, waarnaar men meende de gewenschte groepeering der syllaben tot stand te kunnen brengen. Of de 1 e silbe van goedkoop, de 2e van onmensch, een eensilbig hulpwerkwoord is, was, een „stamsyllabe" in scheidbaar-samengestelde werkwoorden, een uitgangslettergr. -lijk, een afleidingsuitgang -landsch, kort of anceps of betoond of „middentonig", of blauw, bloei, meeuw, lang of zeer lang zijn, — dat alles zijn kwesties die in de prosodie ter sprake werden gebracht, maar die den eigenlijken grondslag van het versrythme niet raken.

Andere punten daarentegen, die toch ook ter sprake kwamen, raakten het rythme wel, nml. de fouten en vrijheden in de voetmaat, die telkens werden opgemerkt en dan öf zelfs bij de beste dichters gelaakt, öf als toelaatbaar voorgesteld werden. De een stelt het zoo voor, dat onder onze iamben ook spondeeën en pyrrhichiën gemengd mogen worden, de ander spreekt van sterker en zwakker

Sluiten