Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

INLEIDENDE OPMERKINGEN.

161

klemtonen; Huydecoper onderscheidt grooter en kleiner maten, waarin hooger en minder hooge tonen naast de lagere voorkomen; Kinker erkent dat de zinsaccenten tegen het „metrum" mogen indruischen. Ook de eind- en middenrusten, waarover wel getheoretiseerd is, behooren tot het ware versrythme. Deze op zich zelf staande beschouwingen over onderdeden mogen van meer of minder juistheid zijn, nooit hebben zij zich gehed vrij kunnen maken om, vereenigd tot een eigen volledig theoretisch stelsel, een juister inzicht te vertolken.

De vraag naar den grondslag van het Nederlandsche versrythme, zooals wij die stellen, wordt door de vroegere theoretici niet beantwoord. Hun beschouwingen bepaalden zich tot het onderzoek van enkele op zich zelf meer of minder belangrijke factoren; de overgeleverde klassieke criteria beheerschten hen, zonder dat zij een grondig onderzoek naar hun toepasselijkheid zelfs noodig achtten. Welke de beteekenis der prosodische leer (in werkelijkheid een muzikale theorie!) bij de Grieken en inzonderheid bij de latere Romeinen, die haar ook reeds als een vaststaand systeem overnamen, geweest mag zijn, moet hier ter zijde bhjven; zeker is, dat zij voor den Nederlandschen versbouw als ontoepasselijk veroordeeld moet worden. Zij had slechts bruikbaar kunnen zijn, indien onze dichtkunst even onverbrekelijk verbonden was geweest met de muziek, als de Grieksche. Mannen als Isaac Vossius en Laurens van Santen hebben dit ingezien en het ook in eenigszins ander verband uitgesproken; immers slechts dan, meenden zij terecht, zou die muzikale moderne dichtkunst er ook in kunnen slagen de Grieksche metra goed na te volgen. Zoo wilde De Baïf dan ook bij zijn metrische verzen de muziek weder als vasten grondslag der dichtkunst invoeren, en ook Ronsard doelt hierop in zijn opmerking aangaande de Sapphica, al schijnt hij aan de vemezenhjking niet te gelooven. Een zeker gevod van dit noodzakelijk verband met de muziek hebben mogelijk ook onze humanistische dichters wel gehad, als zij steun zochten bij een of andere liedwijs, wellicht ook Huygens met zijn herhaald beroep op de eischen der zangkunst. En zeker, wanneer men den geheelen Hertspiegel zong op een vooys hikmaat, zooals er overvele in omloop waren, dan had men een rythme, waarin heusche iamben van twee- en van één-tijdige tonen of syllaben elkander afwissdden. Deed men dit echter? of, zoo al eens in den aanvang,

11

Sluiten