Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

162

NEDERLANDSCH VERSRYTHME.

bleef men het doen? en was dit noodzakelijk of natuurlijk? Ongetwijfeld neen! Naast dit min of meer denkbeeldig zangrythme stond en staat het gesproken vers, dat een ander en een eigen rythme bezit, waarin een polsslag leeft, die nauwer met onze gewone taaiuitspraak overeenkomt en een gemeenschappelijk eigendom is van onze middeleeuwsche poëzie, van rederijkers- en kmchtspelverzen, van Vosmaer's hexameters, van ons proza, en van onze gulden-eeuwsche alexandrijnsche en andere voetmaten : een werkelijk levend rythme, alle klassicisten en grammatici ten spijt.

Naar den grondslag van dit Nederlandsche taal- en versrythme hebben wij te zoeken. De tegenwoordige stand der wetenschap staat ons toe dit doel op twee onderscheiden wegen te benaderen. Vooreerst verschaft de proefondervindelijke wetenschap ons gegevens, die toelaten over taalklanken, hun duur, hoogte, nadruk te spreken met een zekere mate van objectiviteit, die Kinker ons benijden zou. Daarnaast hebben meer aesthetisch-letterkundige geleerden reeds met vrucht zekere rythmische normen toegepast, die van algemeene waarde blijken te zijn. Wij dienen beide wegen te bewandelen; de eerste kan ons leiden tot een beter inzicht omtrent die taal- en versfactoren, waaraan de verstheorie tot nog toe bijna uitsluitend haar aandacht heeft gewijd, waarmee zij echter weinig gebaat is geweest; de tweede moet ons een uitzicht openen op het rythme als zoodanig, den aesthetischen gevoelsfactor, die de bevrediging van het vers bepaalt.

Sluiten