Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

PROEFONDERVINDELIJKE RESULTATEN. 171

klank op valt. Duidelijker zijn termen als „klem" en „nadruk", die bepaaldelijk op sterkte, meerdere stemkracht doelen. Even helder doelt Huydecoper op een andere eigenschap met zijn „toonen", die in hoogere en lagere worden verdeeld.

Inderdaad hebben zoowel physiologen als taalkundigen de verschillende elementen, die-den gezamelijken indruk van het accent veroorzaken, onderscheiden en afzonderlijk beschouwd1). Allereerst heeft men nadruk en toonhoogte als twee zelfstandige factoren naast den duur geplaatst; de duur namelijk dient in dit verband nog eens afzonderlijk beschouwd, daar ook deze door een nadrukkelijke spreekwijze vermeerderd kan worden. Het geven van nadruk bhjkt bij nader onderscheiding ook nog weer uit verschillende elementen te bestaan, als krachtiger ademstroom en luidheid, scherper articulatie en voller uitklinken van den klinkertoon. Bij zeer extreme emphatische „accenten" is het mogelijk één of eenige dezer elementen sterk te doen hooren zonder de andere, b.v. in zeer hooge luide, of zeer lage zachte gerekte doch slecht gearticuleerde, of korte en scherp gearticuleerde uitroepen of zinseinden, of bij zeer nadrukkelijk gearticuleerde en langzame doch zonder bijzondere hoogte of luidheid gesproken hoofdzaken in een betoogzin. In het algemeen echter zullen bij rustige spreekwijze de accenten gevormd worden door een gezamenlijk optreden van alle of bijna al deze factoren, elk in zeer geringe mate, doch ook alle met de vatbaarheid tot meerder expansie. Dit complex van vatbaarheden is het, dat ook bij de meest afgemeten spreekwijze voor den hoorder zoogoed als voor den spreker de eene lettergreep boven de andere als gevoelig doet herkennen, ook al zouden al haar krachten latent zijn gebleven. In plaats van met meerder of minder beklemde of toonhooge, zullen wij dus met meer of min vatbare of gevoelige lettergrepen moeten rekenen.

Als voorloopige slotsom kan uit het gegeven overzicht volgen, dat 1° de quantiteit of natuurlijke lengte eener lettergreep een op zich zelf meetbare, maar niet noodzakelijk gelijkblijvende

*) Hier moge een algemeene verwijzing volstaan naar het hoofdst. „Accent und Quantitat" in E. Sievers' Grundzüge der Phonetik, en de artikelen van Zwaardemaker en C. Reuter, Ueber den dynamischen Silbenaccent (in Onderzoekingen enz. Ve R. XIV, 201 en XVI, 94.)

Sluiten