Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

176

NEDERLANDSCHE VERSRYTHME.

haar bestek houden. Wat wij tot nog toe als geschiedenis der muziek kennen is in hoofdzaak niet anders dan de ontwikkeling der Westeuropeesche muziekbeoefening, beschreven in leven en werken van belangrijke personen, met een aesthetischen inslag. De beschouwing van eenige oudere en eenige exotische kunstvormen geschiedt daarbij vanuit onze eigen theorie en gewoonlijk met het vooroordeel onzer eigen volkomenheid1). Het doel dezer wetenschap moet zijn den mensch in zijn behoeften en uitingen op dit gebied, en de verfijning van deze beide, te leeren kennen. De nieuweuropeesche ontwildceling wordt daardoor niet als minderwaardig ter zijde geschoven, zoomin als bij eenige andere vergelijkende wetenschap; zij moet echter in een historisch juister en algemeen anthropologisch licht geplaatst worden, door vergelijking met de van haar verschillende toestanden in andere beschavingskringen. Intusschen is er reeds belangrijk voorbereidend werk verricht, dat op een samenvattende en critische behandeling wacht.

Voor de leer van het rythme streefde Karl Bücher in zijn vermaard boek Arbeit und Rhythmus (Leipzig 1896) naar een bewerking van het ethnographisch materiaal op sociologischen grondslag. De geest waarin dit werk geschreven werd, leidt echter minder tot een onderzoek van het rythme als deel van het algemeen menschelijke zielsleven, als wel tot een poging om het ontstaan van rythme in zekere primitieve maatschappelijke verhoudingen te verklaren. De sociologische methode lijkt ook in dezen niet de meest gewenschte.

Juister en meer belovend is zeker het inzicht, waarvan J. Combarieu uitging in zijn „La musique et la magie" (Paris 1909) en in de eerste hoofdstukken van zijn „Histoire de la musique" (3e ed. Paris 1920), een inzicht dat nader aansluit bij de nieuwere algemeene denkbeelden der anthropologische godsdienst- en kunstgeschiedenis, waarbij men echter evenzeer voor al te eenzijdige stelselmatigheid moet waken2). Immers eensdeels mag men niet vergeten, dat dit „magische" verband, waarin de muziek

') Een geleerde van beteekenis als Hugo Riemann schrijft b.v. eens: „Ganz verfehlt ist es dagegen, auf Grund der Untersuchung der Musikiibung von der europaischen Kultur ferner stehenden Stammen die Ailgemeingültigkeit der Grundlagen unseres Musiksystems anzuzweifeln" (Grundriss der Musikwissenschaft Leipz. 1908 blz. 14).

•) Combarieu vat zijn stelling in het eerstgenoemde werk (p. 9) aldus samen: „Le chant profane vient du chant religieus; Le chant religieux vient du chant magique."

Sluiten