Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HET RYTHMISCH GEVOEL.

177

te recht geplaatst wordt.voor den mensch dier minder gevorderde beschavingstoestanden inderdaad het grootste deel der werkelijkheid omvat, en dat de muzische kunst hierdoor dus niet magischer of onbehagehjker hoeft te zijn dan zeer vele andere gewone zaken. Anderdeels moet men zich wachten den naïeven en natuurhjken waarnemings- en navolgingsdrang al te veel onder geheinizinnige of zelfs moedwillige toovenarij en bangmakerij te begraven.

Tot de beginselleer van het rythme hebben verscheiden theoretische en meer proefondervindelijke psychologische studiën reeds belangrijke bijdragen geleverd1). Wij moeten er van afzien thans in een nadere beschouwing hiervan te treden. Zooals uit het gezegde reeds voldoende duidelijk zal zijn, mogen wij geen genoegen nemen met een definitie van rythme als een gelijkmatige opeenvolging van gelijke tijdruimten. Hierin ontbreekt het element der menschehjke waardeering, dat juist in het middelpunt behoort te staan. Wij willen niet een bepaling wat rythme „is", doch „wat wij als rythme voelen"; niet een schijnbaar objectieve abstractie, doch de subjectieve realiteit. Indien het noodig is hier een eigen definitie te beproeven, zou ik willen voorstellen: Rythme is een bewegelijk verband tusschen zekere opeenvolgende verhoudingen, dat door het menschelijk waarnemings-vermogen in tijd en ruimte gevoeld en naar den maatstaf van bevrediging gewaardeerd wordt. In dezen zin kunnen dan de volgende bepalingen meer in concreto aanduiden: 1 het in ons werkend rythrnisch gevoel, het eigenlijke medium, waardoor wat wij als rythme opvatten wordt ontvangen en uitgezonden, 2 het rythme dat wij waarnemen, en 3 het rythme dat wij zelf voortbrengen.

1. Het rythrnisch gevoel is een zintuigelijk vermogen, dat bij de waarneming van eenig in tijd en ruimte zich uitstrekkend verschijnsel zelfwerkend een maatstaf aanlegt, die door middel van lust-- en onlustindrukken een verdeeling daarin aanbrengt, en hierdoor een waar-

l) Zooals: E. Meumann, Untersuchungen zur Psychologie und Aesthetik des Rhythmus, en: Beitrage zur Psychologie des Zeitbewusstseins, in Wundt's Philosophische Studiën X (1894) 249,393, XII (1896) 127; M. Kiever Smith, Rhythmus und Arbeit (aus dem psychol. Instit. von Prof. Meumann in Zürich), ald. XVI (1900) 71,197; G. Verriest, Over de grondslagen van het rythrnisch woord, Bussum 1904 (overdruk uit het Maandschrift „Vlaanderen"); S. Behn, Der deutsche Rhythmus und sein eigenes Gesetz. Experim. Unters. aus dem psychol. Instit. der Univ. Bonn, Strassburg 1912.

12

Sluiten