Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

RYTHME IN VERZEN. 201

1920, blz. 2 v. en N. Taalg. IX, 1). Ik merk hierbij dadelijk op, dat ik den term niet overneem, doch deze gelijkheid van grootere maten aanduid met isometrie (evenmatigheid).

Er zou dus weinig nieuws gewonnen zijn, indien ons betoog niet verder leidde dan tot de erkenning van een dergehjke, met de muzikale maatverdeeling overeenkomende gelijkheid van duur tusschen zekere groepen van lettergrepen in het vers. De weg waarlangs wij dit inzicht thans bereikten, gaf echter gelegenheid ook menige andere bijzonderheid uit het groote gebied van het iythme op te merken. Vooreerst staat men, met het algemeen menschehjk rythrnisch gevoel als grondslag, geheel vrij tegenover de altijd weer in het geding gebrachte en dwingend gewaande prosodische eigenschappen der taalklanken, waardoor telkens weer verband gelegd scheen te worden tusschen rythmische maten en vermeende metrische voeten. Kinker, die in zijn „metrische maatkunde" zoo juist reeds het principe der door het rythrnisch gevoel vastgehouden maatverdeeling aanwees, ook indien deze eens met het sterk en zwak, hoog of laag der voordracht (door hem rythmus genoemd) in strijd kwam, — Kinker zelf bedierf zijn inzicht door deze, van klemtonen en dergehjke onafhankehjke isometrie, met een vaste opeenvolging van langere en kortere lettergrepen te willen vereenzelvigen, welke hij dan ook met behulp van zijn fijn gehoor in de Nederlandsche taal trachtte aan te wijzen. De uitkomst was dat hij, uitgaande om twee klassen te zoeken, bekennen moest er minstens 27 gevonden te hebben, een duidelijke aanwijzing — daar hij inderdaad goed gezocht heeft — dat hij tot iets verkeerds was uitgegaan. De toepassing van zijn Nederlandsche metriek heeft haar onhoudbaarheid spoedig bewezen. Ook Van Oye kon er bij zijn opzet niet aan ontkomen een onmiddellijk verband te leggen tusschen evenlange maten en versvoeten, waardoor zijn betoog voor de gewone Nederlandsche versvormen wederom minder toepasselijk wordt. Hij brengt intusschen niet de prosodische lengte maar de klemtonen als maatstaf aan. De rythmische isometrie behoeft echter niet zonder meer door grammatische klemtoon-lettergrepen te zijn afgebakend; zij is daaraan evenmin gebonden als aan vaste verhoudingen van silbe-duur.

De isometrie zelf kan in al die opzichten van een werkelijke objectieve gehjkh«id in tijdsduur afwijken, waarin het rythrnisch gevoel dit toelaat, d. w. z. waarin dit met de benadering volstaat

Sluiten