Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ISOMETRIE EN ISOCHRONIE.

207

Zoo kan men voortgaan. Telkens zal er een effect blijken te liggen in het verschil tusschen eenzelfde rythmische phrase, eenmaal vast en gelijkmatig gebonden, daarna los en vrij onderverdeeld en opgevuld. De vaste gang van den isochronen begin- of refrein-regel, die in het algemeen ook geen opmaat zal vertoonen, geeft aan dezen ook een beslist overwicht, hij doet zich belangrijker voor; al het andere is variatie op zijn rythme en als zoodanig min of meer willekeurig, wat ook in de talrijke tekstvarianten dier verdere regels feitelijk bhjkt. Zonder nu met Combarieu den oorsprong van alle muziek en verskunst tot de magie te beperkén, kan men toch met zekerheid in de tooverformules en spreuken vanouds en overal een groote groep van rythmische uitingen onderstellen, die om het belang dat daarin aan elke syllabe toekomt, strikt isochroon zullen zijn gehouden; ook daarop kon dan steeds isometrisch worden voortgeborduurd. Men neme slechts het bekende: bén zi bêna, bluot zi bluoda van den tweeden Merseburger Zauberspruch, met daarnaast een vers als: dü uuart demo balder es volon sin vuoz birenkü in de voorafgaande gelegenheicïsvertelling. Of, hoewel iets minder sprekend, het Nederfrankische gang üt nesso, dat voortgaat: mit nigun nessiklinun1). En bewaart tenslotte niet ook het als voorbeeld gegeven nieuw-Hollandsche hikrijmpje in zijn vorm de herinnering aan dergehjke bezweringsformules?

De term „isochronie", zooals wij dien naast „isometrie" geplaatst hebben, beantwoordt evenals deze aan een begrip der Grieksche theorie. Aristoxenos van Tarente, de muzikale leerling van Aristoteles, grondvestte zijn systeem van het rythme op de more, een soort tijd-atoom, dat hij Xpóvog 7rpÜTo? noemde, een steeds te onderstellen kleinste tijdeenheid, uit wier veelvouden tonen, voeten en metra waren opgebouwd. Men kan dit dus vergelijken met de tellen, die wij in de tegenwoordige muziekbeoefening plegen aan te geven. Hoe lang vóór dezen epigoon dezelfde of een dergehjke theorie reeds onder de Grieksche musici gold, schijnt moeilijk uit te maken; zeker is echter dat deze eenheid voor een strenge muzikale maathouding toen eveneens reeds als geldig werd erkend voor de tekstwoorden, die immers in rythme met de muziek moesten overeenkomen. De muziek onderscheidde in de eerste plaats tonen van één en van twee tijden, behoudens eenige nog

l) Zie Müllenhofi-Scberer Denkmaler' I, 16—17.

Sluiten