Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ISOMETRIE EN ISOCHRONIE.

209

is geleidelijk en van ondergeschikt belang; er

ontstaan geen grootere maten van ongelijke onderverdeeling, zooals bij verschillend aantal der lettergrepen. Evenzoo is een geringe slepende syllabe als die van „lrind/e" niet storend, maar helpt zelfs de bedoelde gelijkheid van duur met het de wieg volgende „slaap, slaap" verduidehjken. Men moge hier al een begin van onderverdeeling herkennen, het is in geen geval nog een luchtige vrije maatvulling, zooals de isometrie kenmerkt.

Zoo zien wij den grooten omkeer, die zich omstreeks het jaar 1600 in den Nederlandschen versbouw voltrok — de verdringing uit de ernstige poëzie van den ongetelden vrij-rythmischen „regel'' der rederijkers door de getelde streng wisselende of breed voortglijdende „voetmaten" der gulden-eeuwers — als een overgang van isometrische tot isochrone vererythmiek.

Enkele voorbeelden mogen dit hier verduidetijken:

Deze drie verzen uit een strophe van Anna Bijns (uitg. v. Heiten, blz. 143) geven een duidelijk voorbeeld van isometrie. De rythmische regelmaat ligt in het gelijke aantal maten, waardoor de indruk van een gelijke totale duur der verzen bereikt wordt. Immers de f en -f- maten worden als evenlang gewaardeerd, al hoeft de £ niet als een mathematisch juiste triool tusschen de §• te worden gezegd; het aantal lettergrepen in elke maat wisselt in deze drie verzen van 2 tot 5.

Men beschouwe hiernaast als voorbeeld van isochronie de beginverzen van den Gysbreght van Aemstel. Met een maatverdeeling in denzelfden zin als bij A. Bijns is daar niets te beginnen:

Sluiten