Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ISOMETRIE EN ISOCHRONIE.

211

zins iets willekeurigs is — immers ook een 4^ maat bevat twee paren—indien men zich slechts niet gebonden acht aan regelmatig om de andere lettergreep weerkeerende dynamische accenten, en de mogelijkheid van verschillende groepeering der paren tot hooger maten inziet. De groote verdienste van Huydecoper is, dat hij dit laatste gedaan heeft.

Al onze getelde „alterneerende" rythmen zijn bij de isochronie in te deelen, onverschilhg of men in den afzonderlijken „voet" twee evenlange onderstelt of daarin een langere en één kortere lettergreep meent waar te nemen; zij bestaan dan toch uit paren van gelijken duur. Deze kunnen op verschillende wijze in hooger groepeering zijn verbonden; binnen het paar is geen vrijheid van vulling door meer of minder lettergrepen toegelaten. Het bhjkt een algemeen verschijnsel dat verdeeling of groepeering in tweeën als rustig en bevredigend wordt gevoeld. Voor de nieuwe Germaansche talen zal dit niemand bevreemden. Merkwaardig is echter de neiging tot alternatie, die zich bij de Fransche proeven van den Franschman Rousselot vertoonde, toen hij voor zijn metingen der consonantlengte syllaben als ma, ga, pa, da, ettelijke malen achtereen gesproken, met zijn instrumenten opnam. Bij deze zuiver physiologische proeven bleek, dat in een dergehjke reeks gezegd, de lengte der opeenvolgende gelijke consonanten telkens wisselend en vrijwel regelmatig om en om grooter en kleiner was, (Les modifications phonètiques du langage etc. Thèse Paris 1891, p. 83). De lengte der heele lettergrepen wisselde dus, daar de lengte der vocalen vrijwel gelijk bleef, in dezelfde alterneerende cadens; in deze gevallen is natuurlijk van eenig onderscheid in verband met de woordbeteekenis geen sprake. Wij zien het rythrnisch gevoel van deze Fransche proefpersonen zuiver en onbewust tot uiting komen. De feitelijke tijdsverschillen zijn uiterst gering; maar naast het gemeten „accent temporel" moeten natuurlijk ook de andere elementen van het accent bestaan, die bij deze proeven niet werden aangewezen, maar die de tendensen van het rythmisch gevoel moeten hebben versterkt. In het beknopte Précis de prononciation francaise door Rousselot en Laclotte (2. ed. ParisLeipzig 1913, p. 88) vindt men dezelfde opmerking dan ook als volgt samengevat: „Une même syllabe répétée plusieurs fois de suite s'abrège en francais, suivant un rythme orclmairement iambique (~—), qui s'observe pour la consonne aussi bien que pour

Sluiten