Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ISOMETRIE EN ISOCHRONIE.

213

dan de Fransche. Vondel bereikte die zware volklmkendheid door zijn „alterneerend" rythrnisch gevoel wel degelijk mee te doen spreken, echter slechts in zooverre, dat hij storende dynamische tegenklemtonen vermeed. Hooft, die met Hollandsche accenten juist de Romaansche afwijkingen van strikte alternatie nabootste, kwam tot een veel lichter en pratender versvorm. Hij zelf zou jammer genoeg later niet meer inzien, hoe bekoorlijk en hoe bijzonder geschikt deze verzen voor een nog wel Arcadischen tooneelstijl waren; de ware hoogdravendheid misten zij echter en zouden zij trouwens ook door zijn wijzigingen zeer zelden krijgen. De strenge alternisten daarentegen, zooals Heinsius, Cats, Huygens, letten te uitsluitend op de regelmatigheid en gelijkheid van stap om een volle spanning in het vers te houden. Ook hun rythrniek is, door het telkens inzinken op de zwakke plaatsen, pratend en meest doceerend van karakter, wat dan ook bij den inhoud hunner verzen past.

f

Afwisseling van thesis en arsis in den ruimst en zin opgevat — dat is dus een zeker af- en aanzwellen van een beweging, in wier golven een zekere regelmatigheid wordt gevoeld—is een eigenschap van alle rythme, is het kenmerk van rythme. Dat voor waardeering als verzen een bepaald, of zelfs een gelijk aantal theses vereischt zou zijn is slechts zeer betrekkehjk waar; daartoe liggen „vrije verzen" en „rythrnisch proza" te dicht bijeen. Indien men nu iets zoo algemeens als het „Princip einer gewissen Anzahl rhythmischer Hebungen und Senkungen" als een bijzonderheid van het Indogermaansche vers wil postuleeren, is dit dus zeker meer te danken aan een behoefte om concreet schijnende eigenschappen van deze „Indogermanen" te ontdekken, dan wel aan een werkelijke eigenaardigheid van eenig menschenras (vgl. Rud. Westphal, Allgemeine Metrik der indogermanischen und semitischen Völker, Berlin, 1892, bl. 5 § 2). In de oude Semitische poëzie mogen deze „Hebungen" al niinder op den voorgrond komen, ook de moderne Romanen trachten die sedert lang weer te verdoezelen. De reciteerende muziekstijl is in Europa (zoo goed als elders) vooral wat het aantal der maten betreft, zeer vrij. En ten slotte bestaan er toch nog meer taalgroepen', wier versgevoel onderzocht en vergeleken zou moeten worden. De voorstelling dat alternatie een bijzondere Germaansche ei-

Sluiten