Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

218

NEDERLANDSCH VERSRYTHME.

van spraakkunstige nonnen (klankgehalte der lettergrepen, woord- en zinsklemtonen), stelde daarna regels op die redelijk konden schijnen, en verklaarde voorts tallooze verzen, die aan deze regels niet voldoen, voor corrupt of stelde die als cruces ter zijde. Het is overbodig hier den lijdensweg dezer wetenschap in den breède na te gaan; enkele grepen uit de voornaamste geschriften zullen daarvan een beeld kunnen geven.

Wederom was er een dogma, dat het vrije onderzoek belemmerde en de geleerden in een bepaalde richting dwong; ditmaal de door Lachmann voor het Middelhoogduitsch opgestelde theorie. In diens metrisch systeem mag tusschen de beklemde lettergrepen slechts een „einsilbige senkung" voorkomen, of zoo al een van twee lettergrepen, dan toch „eine zweisilbige, die einsilbigwird''; voor dit „einsilbig" worden gaf bij een vast recept (vgl. Germania II, 105v.).

W. J.A. Jonckbloet (Over' Middennederlandschen epischen versbouw, Amsterdam 1849) stond op het standpunt van Lachmann. Het vers heeft vier verheffingen, die elk door een daling gevolgd kunnen worden. Ontbreken der daling is mogehjk, meerdere dalingen tusschen twee verheffingen zijn daarentegen niet toegelaten. Aan den aanvang van het vers echter kan een voorslag van meerdere lettergrepen vóór de eerste verheffing staan. Deze regels dwingen hem elk teveel aan lettergrepen in zulk een uitgebreiden voorslag te bergen, om zijn vier verheffingen nooit door meer dan één daling te laten scheiden. Zoo in het volgende voorbeeld (blz. 78), waar hij dien voorslag zelfs een zwak (vijfde) accentje gunt: Als mèn den achtersten soude slóten (Esop. 270). De natuurlijke voordracht zou hier zijn:

Het laatste zou ook Jonckbloet als mogehjk kunnen erkennen, daar hij ten slotte toch een enkele „dubbele daling" wel toe wil laten, namelijk op de caesuur; een „vrouwelijke" caesuur dan dus, zooals hij het ook noemt. Overigens echter zou naar zijn meening

Sluiten