Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

TOEPASSING EN BESLUIT.

219

een dubbele daling vermindering van den duur der verheffing ten gevolge hebben, waardoor deze dan de noodige „betooning" zou verliezen. In de laatste gevoj^rekking ligt de fout; deze vrees voor het behoud der „betooning" is ongegrond. Dat in het algemeen elke verheffing te zamen met de volgende daling een evenmatigen duur moeit hebben, houdt ook Jonckbloet te recht voor regel. Dit bhjkt duidehjk, waar hij de mogelijkheid van het ontbreken eener daling bepleit: „de voorgaande verheffing moet [dan] uit haren aard lang genoeg kunnen worden aangehouden om in de maat de dahng ontbeerhjk te maken" (blz. 83). Het overgroote belang dat Jonckbloet aan elisie, apocope en syncope hecht, is begrijpelijk, daar deze verschijnselen hem konden helpen om het lastige teveel aan lettergrepen te beperken of weg te redeneeren *); dat waren de middelen die Lachmann daarvoor gegeven had.

Onbegrijpelijk waren dan ook voor Jonckbloet eenige zeer verstandige opmerkingen, die L. Ph. C. van den Bergh eenige jaren te voren over den versbouw had gemaakt in de inleiding zijner uitgave van den Roman van Limborch (Leiden 1846—'47). Wat betreft de vier toonverheffingen was Jonckbloet het met hem eens, echter — „bij de uitwerking van dat begrip rusten zijne denkbeelden niet meer op een vergelijkend streng onderzoek" (blz. 41). Dit moge zoo zijn; zij berustten dan veeleer op een goed gehoor en waren onbevangen. Van den Bergh meende: „bij de eene sylbe, waarop het accent viel en die daardoor in de arsis stond, voegde men naar willekeur een, twee, drie of vier korte lettergrepen, even als men in de muzijk onverschillig een vierde noot door twee achtsten,

*) De werking dezer verschijnselen is natuurlijk van belang; men kan die echter alleen daar bestudeeren, waar de schrijfwijze ze doet zien. De versbouw is in dit opzicht niet dwingend; behalve alleen in de werkehjk getelde verzen van Willem van Afflighem's St. Lutgart en Van ons Heren Passie, waarde schrijfwijze dan ook nuttig materiaal oplevert. Daar echter zal dan ook de versbouw werkelijk dwingend zijn geweest, zoowel voor uitdrukking en woordvormen als schrijfwijze, zoodat het hachelijk moet schijnen juist uit die syncope's en apocope's gevolgtrekkingen over tijd en plaats van ontstaan te maken (zie Verdam's inleiding voor Ons Heren Passie, Tijdschr. v. Ned. T. en L. 25,191 vlg.; ook het naast elkaar gebruiken van vormen als kni- 'èn en knien kan daar in den dwang der versmaat zijn verklaring vinden).

In dit verband zij nog vermeld dat Joos Lambrecht in zijn Néderladsche Spellijnghe (Ghend 1550) reeds melding maakt van de synalepha: dat „es te zegghë uutstoatijnhe van der vocale e / in thende des woords / dat van twean sillebê es of mear / als tnauolghen woord (zond' eanigh tusschenschead) van h / of vocalebeghind" (blad D VII v°., zie den herdruk der Vlaamsche Bibliophilen 4e R. nr. 3, 1882). Hij voert voor deze niet uit te spreken e zelfs een bijzonder typographisch teeken in (doorgeschrapte e) en past dit in zijn geheele boekje toe, waarin men dus de werking der synalepha volgens de Oost vlaamsche uitspraak van Lambrecht zelf kan nagaan. Van verzen rept hij niet.

Sluiten