Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

220

NEDERLANDSCH VERSRYTHME.

eene triool of vier zestienden kan vervangen" (blz. XXVIII vlg.). Dat is inderdaad een korte en duidelijke omschrijving der isometrie; Van den Bergh's „ondoordachtheid" strekke hem tot eer!

In de „Grundzüge der mnl. Verskunst" achter E. Martin's uitgave van denReinaert (Paderborn 1874) wordt aangenomen, dat de mnl. verzen in afwijking van demhd. soms wel twee dalingen toelaten (§4). De schrijver beschouwt dit echter als een bijzondere vrijheid en tracht de gevallen dan ook te beperken door te werken met Lachmann's middelen elisie, syncope, apocope en inclinatie x).

Julius de Geyter geeft in de inleiding zijner Nieuwnederlandsche omwerking van Reinaert de Vos (Schiedam 1874) kritiek op Jonckbloet. Hij spreekt niet als taalkundige doch als dichter. Zijn gehoor doet hem in elk vers vier „voltonige silben" onderscheiden, waartusschen telkens geen, een of twee „halftonige" of ook „toonlooze" mogen vallen.

W. L. van Heiten neemt dan in zijn bekende studie Over Middelnederlandschen versbouw (Groningen, 1884) als hoofdregel vier of drie heffingen aan, waartusschen geen, een of twee dalingen kunnen voorkomen, die evenzeer aan de eerste heffing kunnen voorafgaan. Hij tracht voorts tot in de fijnste bijzonderheden op grammatische gronden vast te stellen, welke woorden of lettergrepen steeds als heffing moeten worden gebruikt, welke als zoodanig kunnen of nooit mogen voorkomen. .

Een frissche kritiek, berustend op gehoor en gevoel, volgde hierna in de bekende Opmerkingen over Nederlandse versbouw van Dr. C. G. N. de Vooys (Taal en Letteren XV). De schrijver volgde in deze studie te uitsluitend de duidehjk waarneembare klemtonen en zag daardoor den eisch van een harmonischen afstand tusschen deze over het hoofd. Maar gehoor en gevoel tellen ook de rusten of rekkingen; de werkelijke hoofdklemtonen alleen wekken den indruk van een schijnbare ongelijkheid in het aantal heffingen van gelij keverzen (zoo b.v. in het als voorbeeld aangehaalde : Klein, klein kleutert j e). Zeer zeker moet „elke beschouwing van mnl. versbouw van de bestaande verscheidenheid uitgaan";

') Wat deze verschijnselen inzonderheid in den Reinaert betreft, vergelijke men de sobere en zeker juiste opmerkingen in Prof. J. W. Muller's Commentaar (Utrecht 1917, blz. 145), die in hoofdzaak hierop neerkomen: dat de voorlezer zoogoed als de afschrijver naar willekeur elisie's enz. gemaakt kan hebben waar hij die niet geschreven vond, als ook deze kan hebben opgelost waar zij wel geschreven waren, omdat juist de vrijheid van het aantal „dalingen" hieraan geen dwingenden regel stelde.

Sluiten