Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

TOEPASSING EN BESLUIT.

221

een juist inzicht der isometrie geeft echter vorm en evenmatigheid aan den „regel die geen regel is", waartoe De Vobys moest geraken: het nml. vers heeft 2—5 heffingen (d. w. z. klemtonen), waartusschen en waarvoor 0—4 lettergrepen in de daling (dus onbeklemd) kunnen staan (t. a. p. blz. 144).

In alle gevallen waar duidehjk vier overwegende accent-lettergrepen gehoord worden, geeft het rythme geen moeilijkheid; die sterke syllaben komen overeen met de sterke plaatsen van den maatgang, dus in het algemeen den eersten tel van elke der vier maten. Bij voorbeeld Karei ende Elegast 90 vlg. Wüdi Góds gebót verhóren, Cóninc so sidi ontdden. Het sdl u dn u léven gden,

Enkele andere voorbeelden uit hetzelfde van versbouw zeker goede gedicht kunnen sommige veel voorkomende moeilijkheden doen zien. Vs. 83, 84: Dat mi Gód den lachter ónste, Dat ic stélen begónste. Hierin zijn slechts drie en twee onmiskenbare werkelijke accenten. Zijn er dus ook slechts 3 eh 2 heffingen ? De meest natuurlijke voordracht zou m. i. het volgende rythme doen hooren

Die drie en twee accenten zijn te plaatsen in een geheel van vier maten evenals de vier accenten der omgevende verzen. Dat de beide lettergrepen van stelen elk het begin eener nieuwe maat vormen wil niet zeggen dat -len nu ook een duidelijken klemtoon moet ontvangen. De verlenging van sté- is niet stuitend, omdat de dramatische beteekenis van dit woord een bij zonderen nadruk, gepaard met toonverheffing en rekking, verdraagt en wettigt. Of

maakt weimg verschil. Een krachtige klemtoon op Dat is m geen geval vereischt. En de isometrie wordt immers in het minst niet

Sluiten