Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

228

NEDERLANDSCH VERSRYTHME.

opschik, met het oudere eerste Beelt in rederijksche vier-maatsverzen van Brabantsche lengte (10—12) en in elke strophe uitloopend op een wijzen spreekwoordelijken sluitregel; naar vorm en geest een prachtig voorbeeld van de ontwikkeling dezer jaren1).

Het geheim der isochronie is, behalve natuurlijk in de gelijkwaardigheid aller lettergrepen, in de caesuren gelegen. De verplichte sterke plaatsen vóór de caesuur en vóór het verseinde zijn de steun- en rustpunten van het rythme. Zes gelijken waarvan de laatste een rythrnisch doel vormt, hebben een vast maat-element ondanks alle tegenaccenten. De normale opvatting zal zijn

ijl JJJJIJ

Een duidehjk accent op de 1 e van het zestal,

4

die dat van het 2e in den schaduw stelt, zal geen muziekkenner verbazen en deze maatopvatting niet doen veroordeelen, indien slechts op de 4e de mogelijkheid van eenig overwicht boven de omgevende 3e en 5e bestaat; het accent der 1 e op zich zelf zou men dan een pathetische opmaat kunnen noemen. Bij voorbeeld: Rijkdom en overvloed. Doet zich echter naast een min of meer duidehjk overwicht van de le op de 2e wederom een overwicht van de 3eboven de 4e voelen, dan neigt het zestal tot een 3-ledigen maatgang

i J J | J J J | J Bij voorbeeld: Gun ook slaven het licht1).

4

Deze 4 en -§-figuren beheerschen den isochronen alexandrijn. Volgens hen en de schakeeringen die zij toelaten kan men de Romaansch-vrije verzen van een Van der Noot begrijpen. Men maakt

l) Zie: Drie lofdichten op Haarlem, uitg. voor de Vereeniging „Haerlem" door J. D. Rutgers van der Loeff, 1911.

!) Voegt men bij de typen Rijkdom en overvloed en Gun ook slaven het licht nog dit: Bekwaam, machtig en trotsch, dan heeft men hiermee de drie veranderingen bijeen, die Hooft op de „gemeene maet" wilde toelaten. Dit laatste vindt evenals het eerste onmiddellijk zijn plaats in het 4/4 rythme. Immers zoowel de 2e als de 6e lettergreep hebben het gewenschte gewicht; alleen tusschen de 3e en 4e bestaat een zekere schommeling, die in het midden eener muzikale maat zonder bezwaar kan plaats hebben. De zeer groote verdienste van Hooft is, dat hij, door het opstellen van deze drie variaties naast het „regelmatig" type (Nog houdt het schriklijk pleit), inderdaad de meest voorkomende vormen der alexandrijnhelft heeft vastgelegd. Niet alleen zijn Granida beantwoordt daaraan, maar verreweg de meeste verzen der nog niet iambisch scandeerende navolgers van Fransche rythrniek (Van der Noot en velen uit Van Mander's omgeving); ja het meerendeel der Romaansche verzen zelf is volgens deze typen in te deelen. Hooft's eigen verzen zijn intusschen veelal zoo luchtig, dat men ze niet al te gedragen moet lezen; het is echter niet mogelijk hier thans nader in te gaan op de fijnere rythmische variatie's, waardoor een pittige en vlugge voordracht het schema als het ware moet omspelen en verlevendigen.

Sluiten