Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

230

NEDERLANDSCH VERSRYTHME.

Dat de niiddenrust niet juist mathematisch den voorgeschreven duur moet hebben om als bevredigende aanvulling der maat gewaardeerd te worden, behoeft zeker geen betoog. In deze -£-, desgewenscht -f- maat zijn verreweg de meeste Nederlandsche alexandrijnen te lezen van Daniël Heinsius tot J. J. L. ten Kate toe.

Zoo vinden wij Huydecoper's „grooter maat" van 4 lettergrepen terug, en zijn kleinere twee-silbige maat voegt zich, aangevuld door de midden- of eindrust als gehjke daarbij. Verzen zonder caesuur missen deze vulling in het midden; zij doen drie maal de \ orinuddellijk op elkaar volgen. Daardoor valt zulk een vers te midden der andere ook dadelijk op. Het is korter en geeft een afwisseling, die volstrekt niet altijd hinderlijk behoeft te zijn. Men hoore een van Huydecoper's voorbeelden

De normale alexandrijn echter met middenrust doet ons na zijn volledige ontwikkeling wederom vier gehjke maten hooren. Zonder nu juist te beweren dat de Middehiederlandsche 4 heffingen in den gulden-eeuwschen „zesvoeter" voortleven, mag men toch bewezen achten, dat het gevoel van een 4-tal maten in het vers zich door den geheelen ontwikkelingstij d heen min of meer heeft gehandhaafd, om daarna bij vele dichters weer duidehjk tot uiting te komen. Bij velen, juist in den overgangstijd, bij voorbeeld in de luchtige verzen van Hooft, bestaat intusschen ook groote verscheidenheid in dit opzicht. Vooral echter mag men deze zoo eenvoudige en algemeene vier-maten-iythmiek nu niet als een bijzonder kenmerk van het Nederlandsche vers beschouwen. Men kan slechts zeggen, dat de isochronie bij ons in haar regelmatige volmaking wederom een isometrisch rythme boven zich vindt, waarin de rustige organische vierledigheid tot uiting kan komen.

Sluiten