Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

STELLINGEN.

I. De beoefening der historische godsdienst-, taal- en kunstwetenschap moet steeds voeling houden met de algemeene ethnologie.

II. De aanvang der middeleeuwen, als Westeuropeesch beschavingstijdperk, is gesymboliseerd in de keizerkroning van Karei den Groote.

III. De figuur van den Ouden Man in het volksboek „Vanden Jongen geheeten Jacke" vertoont de trekken van een vegetatiedaemon.

IV. De wij zigingen die Hooft in zijn Granida heeft aangebracht zijn voornamelijk van belang voor de geschiedenis onzer spraakkunst; de oorspronkehjke tekst van het Amsterdamsche handschrift bewaart het authentieke dichtwerk.

V. Vondel's uiteenzetting over de peripetie in zijn Jeptha vertoont duidehjk de tegenstrijdigheid tusschen zijn Christendom en de Grieksche levensbeschouwing. VI. De melodie van het „Wilhelmus van Nassouwe" is niet vanuit de prinselijke legers in de Nederlanden bekend geworden en had in den aanvang geenzins de klank van een geuzenlied.

VIL De Brabantsche rederijkkamer „Het Wit Lavendel" te Amsterdam had haar vergaderplaats op de Regulierspoort. VIII. Ten onrechte ziet Dr. P. Leendertz Jr. (Middelned. Dram. Poëzie blz. CXCIX) in de rondeelen van 9 regels den oudsten vorm dezer dichtstrophe. IX. De wettigheid van het gebruik der termen „lang" en „kort" als onderscheiding der lettergrepen, moet voor alle talen afzonderlijk aan een kritisch onderzoek worden onder worpen.

X. De inrichting van een phonographisch laboratorium met toebehoorend phonogram-archief bij een der Rijks-Universiteiten verdient aanbeveling.

Sluiten