Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

3

Wg zijn de eersten om toe te geven, dat wij hierin niet volledig zijn geweest.

Nog onlangs, bij de debatten over de grondwetsherziening in November en December 1921 in de tweede en in April 1922 in de eerste hamer, werden de begrippen Koninkhjke macht, ministerieele verantwoordelijkheid en de verhouding tusschen het opperbestuur en het algemeen bestuur in de overzeesche gebieden, ter sprake gebracht, doch bij de vaststelling van nieuwe wetten op de overzeesche staatsinrichting zal men dieper op de quaesties moeten ingaan. Wanneer wif in het voorloopig verslag der eerste kamer op de grondwetsherziening lezen:

„De verhouding tusschen de Landvoogden en de Ministers

— tusschen de vertegenwoordigers der Kroon in de gebieden van Overzee en den raadsman der Kroon in het Moederland

— is nu eenmaal van teederen aard en vordert veel- tact aan beide zijden" '),

terwijl de minister van binnenlandsche zaken op 17 November 1921 in de tweede kamer zegt2):

.Dat de Minister van Koloniën aan de hoogstgeplaatstam in de koloniën — als ik dat in de ban gedane woord nog een oogenblik mag gebruiken — instructies mag geven, is, geloof ik, niet geheel te vermijden, want ik wil vragen: hoe zou hij anders op verantwoordelijkheid tegenover de StatenGeneraal aanspraak kunnen maken en die kunnen dragen? Gelijk het tot dusverre steeds is verstaan, zal de Minister het handhaven van zijn staatsrechtelijke positie tegenover de Landvoogden wel altijd met grooten tact moeten te werk gaan. In ieder geval, wanneer men de ministerieele

') Handelingen eerste kamer 1921-1922, blz. 496. *) Handelingen tweede kamer 1921-1922, blz. 503.

Sluiten