Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

7

dan ligt weliswaar ook 's Konings legislatieve macht in artikel 61 opgesloten, doch stellig niet op een zoo pertinente wijze, dat de wetgever haar niet zou mogen besnoeien. Een eigen standpunt neemt Margadant ') in, die een in de grondwet geworteld recht van regeling voor de Kroon ontkent, doch dit recht, althans voor Indië, uit artikel 20 regeeringsreglement van Nederlandsch-Indië, dus uit de wet, haalt.

De wetgever, in 1854 voor Nederlandsch-Indië, in 1865 voor Suriname en Curacao, het voorschrift van het 2e lid van artikel 61 (59) uitvoerende, stelde voor die overzeesche gebieden regeeringsreglementen vast, waarin den landvoogden bestuur, regeling en andere rechten, als dat van gratie, werden toegekend. Hier dringen zich de volgende vragen op:

le. Mocht de wetgever aan de landvoogden die macht toedeelen?

2e. Mocht hij, waar hij de landvoogden als de bevoegde autoriteit aanwees, daarbij den Koning uitsluiten?

3e. Ontleende daardoor de landvoogd zijn macht aan den Koning, of kreeg hij een eigen bevoegdheid?

De weinig gangbare meening van Margadant ter zijde latende, zal men, welke van de twee andere opvattingen ook toegedaan zijnde, toch in de artikelen 61 en 75 's Konings grondwettelijke bevoegdheid van bestuur en regeling, nader uitgewerkt in de regeeringsreglementen, moeten fundeeren.

Dus zal men naar de grondwet en naar haar alleen moeten uitmaken, welke bevoegdheidsgrenzen voor den Koning gelden.

') Het Reg eeringsreglement 1894, I blz. 134 en 135.

Sluiten