Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

9

1865 in de tweede kamer zeide bij de behandeling van artikel 117 Suriname (Curacao 138):

„Ik blijf het onverklaarbaar achten, ih welk opzicht hier afwijking van de Grondwet zou bestaan. Waar is in de Grondwet het verbod te vinden dat het opperbestuur zijne magt kan delegeren aan den Gouverneur? Die Gouverneur is immers vertegenwoordiger van den opperbestuurder en aló zoodanig met diens magt bekleed.

Is dergelijke magtsdelegatie ongrondwettig, hoe kan dan artikel 20 van het regeringsreglement voor NederlandschIndië geregtvaardigd worden, waarbij aan den GouverneurGeneraal de bevoegdheid wordt gegeven om, met inachtneming van de bepalingen van het regeringsreglement en van 's Konings bevelen, algemeene verordeningen vast te stellen omtrent alle onderwerpen, waarin niet door de wet of door den Koning is voorzien?" ')

Duidelijk ook is de quaestie in 1889 gesteld bij de behandeling gedurende de vaststelling der begrooting van Suriname voor 1890, van het door Koloniale Staten en gouverneur verleende octrooi aan de Surinaamsche Bank. Op 23 December 1889) voerde de minister van koloniën, mr. Keuchenius (1888—1891) aan2):

„Deze bepalingen komen voor in de verordening van 26 Juni 1864, die niet door den Koning maar door den Gouverneur en de Koloniale Staten van Suriname Werd vastgesteld, omdat thans art. 1643) van het Regeeringsreglement voor

') Bordewijk, Handelingen over de reglementen op het beleid der regering in de koloniën Suriname en Curacao 1914, blz. 634.

2) Handelingen tweede kamer 1889-1890, blz. 758.

*) Luidende : „Tot de oprichting van circulatiebanken, credietvereenigingen en verzekeringsmaatschappijen kan bij koloniale verordening vergunning worden verleend."

Sluiten