Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

11

hoogere machten, de Kroon, nemende algemeene maatregelen van bestuur en de hoogste macht: de Wet. Ik lees in het Regeeringsreglement nergens eenigerlei bepaling waarin daar, waar op zeker gebied autonomie wordt verleend, de beide hoogere machten zouden worden uitgesloten."

Waarop de minister ten antwoord geeft, en daarbij m. i. de kern der zaak naar voren brengt:

„Het is geenszins mijne bedoeling geweest de bepaling van de Grondwet voorbij te zien, welke den Koning het opperbestuur opdraagt over de overzeesche bezittingen en koloniën des Rijks. Maar in de Grondwet komt ook de bepaling voor, dat de reglementen op het beleid der Regeering bij de wet worden vastgesteld. Die bepaling is in toepassing gebracht, zoowel met betrekking tot Nederlandsen Oost-Indië als tot Suriname en Curacao, en men heeft sedert de vaststelling van de wetten het steeds zoodanig begrepen en uitgelegd, dat, waar de reglementen aan de koloniale bésturen bepaalde bevoegdheden opdroegen en vrijheid gaven tot vaststelling van algemeene verordeningen, het Opperbestuur in Nederland zich van inmenging van de zaak onthield." ')

Hetgeen minister Keuchenius hier zegt, brengt ons nader tot de beantwoording van de gestelde vragen. Immers vóór 1848 bestonden, zoowel voor Oost- als voor West-Indië, reglementen door den Koning vastgesteld, waarin den landvoogden eveneens bestuur, regeling en o.a. het recht van gratie was toegekend. Aan 's Konings goedvinden was overgelaten om zooveel bevoegdheden van bestuur en regeling aan hen over te laten, als de Koning zelf verkoos. Evenwel, de grondwetgever van 1848 moet zich voor oogen

') Handelingen tweede kamer 1889-1890, blz. 760.

Sluiten